Voor eenmanszaken is het beroepsgebruik van een wagen voor 75 procent aftrekbaar. Financieringskosten zelfs voor 100 procent. In tegenstelling tot bij een eenmanszaak, gaat men er bij een vennootschap van uit dat de wagen volledig beroepsmatig wordt gebruikt. Vennootschappen mogen 75 procent van de brandstofkosten inbrengen. De aftrek van de andere autokosten zoals aankoop, onderhoud, herstellingen, autokeuring, carwash, verzekering, verkeersbelasting enzovoort is voor vennootschappen afhankelijk van het type en de CO2-uitstoot van de wagen en varieert tussen 50 en 100 procent. Voor elektrische wagens kan zelfs 120 procent van de autokosten worden afgetrokken (met uitzondering van de brandstofkosten).
...

Voor eenmanszaken is het beroepsgebruik van een wagen voor 75 procent aftrekbaar. Financieringskosten zelfs voor 100 procent. In tegenstelling tot bij een eenmanszaak, gaat men er bij een vennootschap van uit dat de wagen volledig beroepsmatig wordt gebruikt. Vennootschappen mogen 75 procent van de brandstofkosten inbrengen. De aftrek van de andere autokosten zoals aankoop, onderhoud, herstellingen, autokeuring, carwash, verzekering, verkeersbelasting enzovoort is voor vennootschappen afhankelijk van het type en de CO2-uitstoot van de wagen en varieert tussen 50 en 100 procent. Voor elektrische wagens kan zelfs 120 procent van de autokosten worden afgetrokken (met uitzondering van de brandstofkosten). We nemen het voorbeeld van Jan, die een succesvolle eenmanszaak in de IT-sector heeft. Hij gaat vaak op bezoek bij klanten, meestal grote bedrijven, om zijn diensten aan te bieden. Jan is een fervente autoliefhebber en rijdt met een Porsche Cayenne GTS, die hij nieuw gekocht heeft voor 104.786 euro. Hij gebruikt zijn Porsche voor 80 procent voor zijn werk. Op jaarbasis betekent dat al vlug 30.000 kilometer. Hij kan dat percentage bewijzen, want de privékilometers worden voornamelijk afgelegd met de tweede wagen in het gezin. De autokosten van zijn Porsche lopen vlug op. Alleen al de afschrijving van de Porsche op vijf jaar betekent een jaarlijks aftrekbare kostenpost van 12.574,32 euro: 104.786 euro x 80 % (beroepsgebruik) x 20 % (afschrijving) x 75 % (beperking). Tel daarbij de andere kosten zoals de brandstofkosten, de omniumverzekering, de verkeersbelasting, onderhoud en herstellingen, en Jan komt aan meer dan 17.000 euro per jaar aan autokosten. Hij brengt die kosten in mindering van zijn belastbaar inkomen. Bij een fiscale controle werpt de fiscus op dat een deel van de door Jan ingebrachte kosten weliswaar beroepsmatig zijn, maar dat ze onredelijk zijn. De fiscus is dus wel akkoord met het feit dat Jan 80 procent van de kosten fiscaal inbrengt, maar niet met het bedrag. Daarvoor baseert de fiscus zich op artikel 53,10 van het Wetboek Inkomstenbelastingen. Dat artikel verbiedt de aftrek van kosten "die op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen". De fiscus maakt er vaak gebruik van om 'overdadige' kosten te verwerpen, meer bepaald als die kosten zijn ingegeven door de wens een zekere status te hebben, er een bepaalde levensstijl op na te houden of als ze niet in verhouding zijn met de te verwerven inkomsten. Om te bepalen welk deel van de ingebrachte autokosten onredelijk is, baseert de fiscus zich op een regel die we terugvinden in een interne commentaar van de fiscus op de wetsartikels van het fiscaal wetboek (Comm. IB 53/189). "In de mate dat de door een belastingplichtige ingebrachte autokosten hoger zijn dan 1,5 keer het forfait per kilometer dat ambtenaren krijgen als ze hun eigen wagen gebruiken voor dienstverplaatsingen, wordt dat surplus aan autokosten verworpen en is het dus fiscaal niet aftrekbaar", staat daar. Dat forfaitaire kilometertarief wordt elk jaar vastgelegd bij koninklijk besluit en is voor de periode van 1 juli 2016 tot 30 juni 2017 gelijk aan 0,3363 euro per kilometer. Dat is hetzelfde bedrag als werknemers belastingvrij van hun werkgever kunnen krijgen als ze met hun eigen wagen rijden in opdracht van het werk. In het geval van Jan maakt de fiscus de volgende berekening: 30.000 beroepskilometers x 0,3363 = 10.089. Van de 17.000 euro autokosten die Jan heeft ingebracht, wordt dan ook 6911 euro verworpen als onredelijk. Netto is dat een belastingverhoging van 3662,83 euro bij een progressief belastingtarief van 50 procent en 6 procent gemeentebelasting. Moet Jan het eens zijn met die visie van de fiscus? Neen, zeker niet. Jan kan zijn gelijk halen door de volgende argumenten aan te halen. 1. OpportuniteitsbeoordelingHet is een algemeen aanvaard principe dat de fiscus geen opportuniteitsoordeel mag vellen. Dat betekent dat de fiscus niet in de plaats van de belastingplichtige mag beslissen welke de beste manier is om zijn beroepsactiviteit te organiseren en dus ook niet over welke kosten hij maakt om een inkomen te verwerven of te behouden. De fiscus mag met andere woorden niet in de plaats van de belastingplichtige oordelen met welk type wagen hij moet rijden. De belastingcontroleur mag volgens hetzelfde principe niet de beroepssector waarin de belastingplichtige actief is, mee in aanmerking nemen als criterium om te beoordelen of de kosten van de luxewagen overdreven zijn. Het standpunt van de fiscus dat "een Jaguar XJS niet aftrekbaar is voor een kleine aannemer" is dus niet geldig. 2. Recente rulingWie twijfels heeft over de aftrekbaarheid van de kosten van een dure wagen, kan de visie vragen van de Rulingcommissie, ook wel de Dienst Voorafgaande Beslissingen genoemd. In een recente beslissing (ruling nummer 2015.740 van 26 januari 2016) heeft de dienst zich uitgesproken over het volgende geval. De zaakvoerder van een vennootschap wilde zijn huidige firmawagen vervangen door een voertuig uit de duurdere prijsklasse - er wordt niet gespecificeerd welke auto. Zijn vennootschap zou de wagen via een operationele leasing huren. De leasingkosten waren dan ook vrij hoog. De Rulingcommssie zag echter geen reden om die kosten als overdreven te bestempelen. Ze baseerde zich op de volgende elementen. Ten eerste droeg de luxueuze leasewagen bij tot de uitstraling van de vennootschap. Ten tweede waren de kosten voor de wagen in verhouding met de financiële draagkracht van de vennootschap. Ze genereerde met andere woorden voldoende winst om de leasingkosten te kunnen betalen. Ten derde zouden voor het privégebruik van de wagen door de zaakvoerder de algemeen geldende principes worden toegepast. Dat betekent dat de zaakvoerder voor het privégebruik van de wagen belast zou worden op een voordeel in natura in functie van de catalogusprijs en de CO2-uitstoot van de wagen. Het aldus aangerekende voordeel zou door de vennootschap voor 17 procent in haar verworpen uitgaven moeten worden opgenomen en dus niet aftrekbaar zijn. Ten vierde zou de wagen de enige auto zijn op de balans van de vennootschap, want de oude zou worden verkocht. Hoewel een ruling enkel geldt voor het concrete geval dat aan de commissie wordt voorgelegd, leert de praktijk dat ook andere belastingplichtigen in gelijkaardige situaties van die ruling gebruik kunnen maken. 3. Rechters beslissen meestal in het voordeel van de belastingplichtigeAls de fiscus voet bij stuk houdt en geen rekening houdt met de door Jan ingebrachte argumenten, dan kan Jan de betwisting voorleggen aan de rechter. Het goede nieuws is dat de rechtspraak minder vlug kosten van een dure wagen als overdreven beschouwt (zie kader Autoliefhebbers krijgen vaak gelijk). Rechters zeggen dikwijls ook dat de fiscus ten onrechte gebruikmaakt van de kilometervergoeding in de overheidssector (1,5 keer de vergoeding van 0,3363 euro per kilometer) om autokosten als overdreven af te wijzen. Zo oordeelde het hof van beroep te Brussel in een arrest van 10 maart 2005 dat "het geen geschikt criterium is omdat het personeel van de Staat geen zakencijfer moet realiseren via het bezoek aan cliënten". Het cijfermatige criterium van de fiscus is dus willekeurig. Het Hof van Cassatie voegt in zijn arrest van 21 juni 2013 daaraan toe dat "het aan de fiscus is om in elk individueel geval te bewijzen dat de ingebrachte autokosten onredelijk zijn". Het valt niet te ontkennen dat de hoge kosten van dure, exclusieve wagens argwaan wekken bij de fiscus. Toch zijn er genoeg argumenten om ook die kosten fiscaal in mindering te brengen. Een Mercedes, een BMW, een Audi, zelfs een Porsche of een Ferrari is niet per definitie onredelijk of overdreven als wagen van de zaak. De fiscus zal elk geval apart onderzoeken en beoordelen. Daarbij zal hij onder andere rekening houden met de grootte van de onderneming, het omzetcijfer, de aard van het cliënteel, de activiteitssector, ... Overdrijven is echter nooit aangewezen. Denk bijvoorbeeld aan iemand die meerdere dure wagens voor zijn zaak koopt terwijl alleen hij ermee rijdt. Om een rechtszaak te vermijden, kan men het op een akkoord gooien met zijn controleur, bijvoorbeeld door de afschrijvingsduur te verlengen van vijf naar zeven jaar. Op die manier verminderen de jaarlijks afschrijfbare kosten. Johan SteenackersDe fiscus mag zich niet bemoeien met het type voertuig dat u beroepshalve gebruikt.