Peilen naar de echte macht van het Europees Vakverbond (EVV) is niet eenvoudig. De koepel verenigt 62 nationale vakbonden en 14 beroepsfederaties uit 28 landen, goed voor een gezamenlijk ledenaantal van naar schatting 56 miljoen. Dat kan tellen. Maar het EVV als permanente structuur weegt veel lichter. Ze moet het rooien met 45 vaste medewerkers, een hoofdkwartier tussen de Belgacom-torens aan de Brusselse Jacqmainlaan en een voor een organisatie van deze omvang bijna belachelijk laag jaarbudget. Anders dan aan andere heikele aspecten, wil Reiner Hoffmann, directeur van het Europees Vakbondsinstituut, hieraan weinig woorden verspillen: "Het EVV wordt uitsluitend gefinancierd uit de bijdragen van de ledenorganisaties, 4 frank per lid per jaar. De Oost-Europese vakbonden betalen voorlopig slechts 1 frank. Trekt u zelf maar de conclusie."
...

Peilen naar de echte macht van het Europees Vakverbond (EVV) is niet eenvoudig. De koepel verenigt 62 nationale vakbonden en 14 beroepsfederaties uit 28 landen, goed voor een gezamenlijk ledenaantal van naar schatting 56 miljoen. Dat kan tellen. Maar het EVV als permanente structuur weegt veel lichter. Ze moet het rooien met 45 vaste medewerkers, een hoofdkwartier tussen de Belgacom-torens aan de Brusselse Jacqmainlaan en een voor een organisatie van deze omvang bijna belachelijk laag jaarbudget. Anders dan aan andere heikele aspecten, wil Reiner Hoffmann, directeur van het Europees Vakbondsinstituut, hieraan weinig woorden verspillen: "Het EVV wordt uitsluitend gefinancierd uit de bijdragen van de ledenorganisaties, 4 frank per lid per jaar. De Oost-Europese vakbonden betalen voorlopig slechts 1 frank. Trekt u zelf maar de conclusie." Mia De Vits, algemeen secretaris van het ABVV, zucht even als we haar mening vragen over de zwakke financiering. Is Europa dan toch niet belangrijk voor de syndicalist? De Vits: "Als je weet hoe moeilijk sommige interprofessionele structuren het op nationaal vlak hebben om de middelen bijeen te schrapen vanuit hun (sectorale) deelorganisaties, dan kan je je voorstellen hoe lastig het voor het EVV wel moet zijn. Komt daar nog bij dat verscheidene grote bonden, bijvoorbeeld in Duitsland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk, krap bij kas zitten." Belgen op kopDe Belgische bonden, die zowel qua ledenaantal als financieel nog tamelijk comfortabel zitten, pleiten bij herhaling maar tevergeefs voor verhoging van de bijdragen. Onder meer de Duitse DGB en de Britse TUC - grote, maar zwaar geteisterde jongens - denken niet in dezelfde richting. Toch vinden Hoffmann en De Vits dat de beperkte financiële middelen geen excuus zijn om de slagkracht niet uit te bouwen. "De kosten van acties vallen ten laste van de nationale bonden," zegt Mia De Vits. Daar doen de Belgen - ACV en ABVV als twee handen op één buik - niet krenterig over. Bij zowat elke Europese mobilisatie is de participatiegraad van de Belgen het hoogst en er zijn weinig andere EVV-leden die evenveel mensen en middelen inzetten "voor Europa". Mia De Vits schat dat ze zelf 25% van haar tijd investeert in Europese thema's. Het ACV levert een inspanning van gelijkaardige orde. De in het vaderland concurrerende bonden treden binnen het EVV in de regel trouwens op als een eenstemmige tweeling. Maar we wijken af van onze sterkte-zwakte-analyse. "De enorme breedte en de heterogeniteit van het ledenbestand en de gebondenheid van de ledenorganisaties aan uiteenlopende politieke, economische en institutionele situaties in hun eigen land, zorgen ervoor dat samenwerking altijd bijzonder moeilijk te realiseren is. Er moet zelfs systematisch rekening worden gehouden met concurrerende belangen," weet Reiner Hoffmann."Eenvoudig is anders," bevestigt Mia De Vits. "Er bestaan grote verschillen in syndicale cultuur en ideologie, de ene bond is sterker dan de andere, sommige leden uit hetzelfde land staan niet onspeaking terms met elkaar. In Frankrijk bijvoorbeeld is dit een ernstig probleem. Nationale verdeeldheid bemoeilijkt de slagkracht van het EVV." Maar meteen relativeert ze ook: "Het samenwerkingsverband van zo veel vakbonden legt toch wel gewicht in de schaal. Als we hen allen op dezelfde lijn krijgen voor bepaalde thema's, heeft dit een grote betekenis. De wil om binnen één structuur te werken, is niet onbelangrijk. Ik merk echter ook andere positieve evoluties. Met de verdere Europese integratie blijft de idee van internationale samenwerking niet meer beperkt tot de top van de organisaties. Ze begint door te sijpelen bij de basis. Vorig jaar heeft daarvan verscheidene voorbeelden opgeleverd. Niet alleen zijn er interprofessionele betogingen geweest, ook bij problemen in individuele bedrijven kwamen contacten en steun tussen werknemers van verschillende vestigingen vlotter tot stand dan vroeger. De affaire- Renault vormde daarvan een voorbeeld, hoewel het zeer erg blijft dat er eerst zo'n drama's moeten gebeuren." Supranationale vakbondVoor de totstandkoming van een echt Europees syndicalisme van top tot basis, hoopt het EVV op de effecten van de Europese ondernemingsraden (EOR). Deze zijn voorlopig niet meer dan een fragiel instrument, maar ze betekenen hoe dan ook het begin van een uitwisseling tussen verschillende vestigingen. De leden horen van elkaar wat er gebeurt en zo komen er stilaan netwerken tot stand die kunnen inspelen op de strategie van internationale ondernemingen. "Daarom zien we strikt toe op de middelen die het Europees parlement goedkeurt voor de EOR," zegt De Vits.Een echte supranationale vakbond kan het EVV ondertussen nog niet genoemd worden. Volgens de Belgen moet het EVV een "tegenmacht" vormen, zoals we die hier kennen op het federale en gewestelijke niveau. Mia De Vits is van oordeel dat het EVV nog te veel optreedt als een lobby-organisatie, die te passief de agenda van de Europese Commissie volgt. De uitwerking van een eigen visie, een eigen agenda voor het Europese sociaal-economische beleid, is vandaag nog niet ver genoeg gevorderd.Tegenover de Europese werkgeversis de grote uitdaging dan weer tot overleg en akkoorden te komen. De Vits: "Ik geloof dat afspraken met de werkgevers mogelijk zijn. Natuurlijk zal het hier moeten gaan over kaderovereenkomsten die een belangrijke bevoegdheid overlaten aan het nationale niveau. We moeten niet proberen alles te regelen, maar het is wel belangrijk om een referentiekader te scheppen dat voor iedereen in dezelfde richting wijst. De eerste stappen zijn gezet: er werden al overeenkomsten over ouderschapsverlof en deeltijds werk gesloten."Of het op vrij korte termijn mogelijk is het Europees sociaal overleg uit te breiden, blijft twijfelachtig. De "patroons" zitten in een zetel. Als ze geen zin hebben om te praten, moeten ze ook niet. Het Europees parlement kan in deze niet optreden, waardoor de bond daar geen stokken achter de deur vindt. Initiatieven van de Commissie kunnen wel iets in beweging zetten, maar het is niet zeker dat de Commissie daar happig op is. En zo'n proces neemt sowieso veel tijd in beslag. Bovendien is interprofessioneel overleg niet de regel in veel Europese landen.Het belet de Belgen - deze keer zelfs in een objectief bondgenootschap met het VBO, dat binnen de Europese werkgeversfederatie UNICE pleit voor overlegvormen - niet om experimenten te promoten bij gebrek aan officieel Europees overlegorgaan. Zo was het gewezen sociaal bemiddelaar Jo Walgraeve die als voorzitter van de Nationale Arbeidsraad gedetacheerd werd om de onderhandelingen over het ouderschapsverlof en het deeltijds werk te begeleiden. Goede wil of macht?Met goede wil, redelijkheid en valabele argumenten alleen zal de Europese vakbond er niet komen in zijn streven naar gestructureerd overleg. Hij zal eerst moeten aantonen dat hij over een reële machtsbasis beschikt. Het opgetelde ledenaantal maakt in deze context alvast weinig indruk, niet alleen wegens de versnippering, maar vooral omdat de vakbondsdichtheid in de meeste EU-landen tussen 1980 en vandaag ernstig gedaald is (zie tabel: Wijzigingen in vakbondsdichtheid). Zware klappen kregen de bonden in Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Nederland, Italië en Spanje, toch niet de eerste de beste landen. België hield stand en lijkt weer aan een lichte vooruitgang begonnen (met 53% van de werknemers aangesloten in 1995). Grote uitzonderingen zijn de Scandinavische landen die een opvallend hoog percentage vakbondsleden wisten te behouden of dat aantal zelfs nog wisten te laten toenemen. Catastrofaal vanuit syndicaal oogpunt is de toestand in Frankrijk (nog slechts 9% gesyndicaliseerd), zwak in Nederland (26%, maar de leegloop lijkt nu gestopt), Duitsland (30%, met blijvende problemen) en het Verenigd Koninkrijk (32% en evenmin al thuis onder Labour-premier Tony Blair). De verklaringenvoor deze trends zijn bekend. Voor de bonden die hun machtsbasis willen veilig stellen, komt het er nu op aan om werklozen, gepensioneerden en andere niet-actieven, evenals deeltijdwerkers, uitzendkrachten en andere flexwerkers te organiseren. En om voet aan de grond te krijgen in traditioneel zwak gesyndiceerde sectoren (privé-diensten, non-profit, kmo's...). Daarover gaat trouwens de lopende conferentie in Brussel. Reiner Hoffmann verliest er de moed niet bij, maar wijst op de voorwaarden: "De nieuwe vakbond zal het veel moeilijker hebben om mensen te motiveren. Hij zal hen betere service moeten verlenen, hen individueel aanspreken. Dat vereist beter gekwalificeerde vakbondssecretarissen en -leiders, met grote dossierkennis en met de capaciteiten om te modereren tussen verschillende belangen en groepen in de samenleving."De vakbond als moderator, de redelijkheid zelve? Heeft het strijdsyndicalisme dan helemaal afgedaan? Hoffmann aarzelt, de enige keer tijdens het lange gesprek. En dan: "Acties zullen noodzakelijk blijven, maar de klemtoon zal verschuiven naar onderzoek, naar het uitwerken van stevige alternatieven, naar overtuiging door communicatie en overleg."Hoewel ze het niet oneens is met Hoffmann, heeft Mia De Vits meer oog voor de machtsaspecten die wellicht nooit zullen verdwijnen uit de sociale relaties: "Essentieel is het vastleggen van enkele prioriteiten en het organiseren van acties daarrond. De Top van Amsterdam, bijvoorbeeld, zou oorspronkelijk helemaal niet praten over werkgelegenheid. De acties hebben er wel degelijk toe geleid dat er een hoofdstuk tewerkstelling is toegevoegd, meer nog, dat er later in Luxemburg een speciale Top werd georganiseerd. Voor de eerste keer werd er niet-vrijblijvend over werk gepraat. De verschillende landen moeten dit jaar actieplannen rond werkgelegenheid voorleggen. De meerjarenprogramma's zullen eind 1998 in Wenen worden geëvalueerd.Voldoende is dat niet, daarvoor wordt te weinig het verband gelegd met het algemene sociaal-economische beleid, maar het is weer een stap in de goede richting. Het EVV heeft zeker in Luxemburg getoond dat het kan mobiliseren, met succes.""Tal van vakbonden geloven minder - sommige zelfs helemaal niet - in de mogelijkheden van deze soort acties. Toch moeten dergelijke initiatieven herhaald worden in het perspectief van de monetaire eenmaking, willen we enige vooruitgang boeken met het sociale Europa. Daarvoor moeten we inderdaad een machtsbasis opbouwen. Als we niet onmiddellijk na de EMU het Europees Sociaal Model invullen en alternatieven vinden voor de financiering van de sociale zekerheid, voordat de geografische uitbreiding naar Oost-Europa vorm krijgt, stevenen we af op een ramp." JOS GAVEL