Rendement op eigen vermogen en concurrentie zijn allebei begonnen als efficiënte oplossingen voor een prangende vraag: hoe kunnen we de beschikbare middelen gebruiken om het grootste geluk voor het grootste aantal mensen te produceren? Nog altijd houden de rijke economieën stevig vast aan deze benadering. Maar het probleem is veranderd. Of het kapitalisme standhoudt, zal afhangen van ons vermogen om te schaven aan de prioriteiten waar ondernemers, wetgevers en beleggers zich door laten leiden. De beoefenaars van het kapitalisme moeten samen op de rem gaan staan en vaart minderen bij het najagen van rendement op eigen vermogen en concurrentie. Maar dan moeten ze eerst inzien dat deze twee ideeën compleet uit de hand gelopen zijn.
...

Rendement op eigen vermogen en concurrentie zijn allebei begonnen als efficiënte oplossingen voor een prangende vraag: hoe kunnen we de beschikbare middelen gebruiken om het grootste geluk voor het grootste aantal mensen te produceren? Nog altijd houden de rijke economieën stevig vast aan deze benadering. Maar het probleem is veranderd. Of het kapitalisme standhoudt, zal afhangen van ons vermogen om te schaven aan de prioriteiten waar ondernemers, wetgevers en beleggers zich door laten leiden. De beoefenaars van het kapitalisme moeten samen op de rem gaan staan en vaart minderen bij het najagen van rendement op eigen vermogen en concurrentie. Maar dan moeten ze eerst inzien dat deze twee ideeën compleet uit de hand gelopen zijn. Om natuurlijke selectie op basis van extravagante en nutteloze kenmerken te illustreren, halen biologen vaak het voorbeeld van de pauwenstaart aan. Een ornament dat in de loop der eeuwen almaar flamboyanter is geworden. Daar is een eenvoudige verklaring voor: vrouwtjespauwen hebben een zwak voor mannetjes met een grote staart. Toen de soort nog maar net bestond, hield dit ook steek. Een opzichtige staart was voor het vrouwtje een indicatie dat het mannetje in goede gezondheid verkeerde en dus aan voldoende voedsel wist te komen. (Vergelijk het met een Ferrari bij mensen, althans vóór we die zo makkelijk op krediet konden kopen.) Aanvankelijk leidde deze selectietechniek wellicht tot eliminatie van de zwakke pauwen. Maar vele generaties later hadden de sterke pauwen een nieuw probleem: zo'n protserige staart heeft een prijs (net als een Ferrari trouwens). Er zijn veel voedingsstoffen nodig om hem te laten groeien en mooi te houden. Bovendien is zo'n staart ook behoorlijk zwaar, waardoor de eigenaar ervan trager wordt (oké, hier gaat de vergelijking met de Ferrari niet op) en een makkelijke prooi is. Zonder de interventie van de mens - die deze vogelsoort te mooi vond om te laten uitsterven - was de pauw wellicht een triest lot beschoren. We kunnen ons afvragen waarom andere soorten wel zijn ontsnapt aan selectie op basis van extravagante kenmerken. Waarom is de hals van de giraf niet nóg langer geworden? En waarom zijn konijnenoren niet nóg groter? Omdat wat de pauw is overkomen een aberratie is: een discrepantie tussen enerzijds natuurlijke selectie (de criteria waarop de natuur zich baseert om te beslissen welke individuen voldoende sterk zijn om te overleven en zich voort te planten) en anderzijds seksuele selectie (de criteria waarop het andere geslacht zich baseert). Bij soorten die millennia lang levensvatbaar blijven, stroken beide selectieprocedures met elkaar. Dat moet ook, want elke discrepantie tussen beide richt de soort vroeg of laat te gronde. Hoog tijd om dit alles te vertalen naar een sociaal systeem, bijvoorbeeld een onderneming. Wij mensen slagen erin om slechte keuzes - die niet bijdragen tot de gezondheid van onze bedrijven op lange termijn - te belonen. Elke manager die ooit een salarisschema heeft moeten opstellen, weet dit: vaak belonen bonussen uiteindelijk gedrag dat indruist tegen de missie en de waarden van de onderneming. Dat probleem stelt zich des te meer wanneer torenhoge bonussen resulteren in prestige voor individuen in plaats van in een - moeilijker te detecteren - toename van het gevoel van globale waarde. En hoe meer deze feedbacklus zichzelf versterkt, hoe moeilijker het is om ze te doorbreken. In de meeste gevallen - of het nu gaat om natuurlijke dan wel door de mens ge-creëerde systemen - zijn discrepanties makkelijk op te sporen en houden ze niet lang stand. De toestand wordt gevaarlijker wanneer indicatoren die aanvankelijk inderdaad wezen op een goed draaiend systeem, niet langer actueel zijn omdat de omstandigheden gewijzigd zijn. Een voorbeeld van zo'n voorbijgestreefde en mettertijd zelfs verraderlijke indicator is het rendement op eigen vermogen. De belangrijkste vraag in een Amerikaans bedrijf is zonder enige twijfel: hoe zit het met het rendement op eigen vermogen? Dat criterium is zo dominant geworden omdat het honderd jaar geleden steek hield om zo veel mogelijk rendement uit het eigen vermogen te persen. Waarmee we niet gezegd hebben dat men destijds zaken deed omwille van het rendement op eigen vermogen. Net als nu was meer voorspoed voor de mensen het globale doel van de zakenwereld. Maar de mogelijkheden om kapitaal ten dienste te stellen van dat doel waren legio. Net als de vrouwtjespauwen moesten de beleggers kiezen: ze moesten uitmaken welke ondernemingen de volgende generatie zouden halen. Ze hadden dus een indicator, een parameter nodig waarmee ze hun financiële partners snel en objectief konden taxeren. Het rendement op eigen vermogen bleek uitstekend geschikt. Zo ontstond de feedbacklus die managers er tot op vandaag toe aanzet de kwartaalinkomsten te doen beantwoorden aan de verwachtingen van de beleggers. Maar deze methode om waarde te meten staat overal ter wereld op het punt te veranderen. Daar zijn twee redenen voor. Ten eerste krijgt een nieuwe taxatie-infrastructuur vorm, vooral dankzij de technologische evolutie. Ten tweede neemt het deel van de wereldbevolking dat belang hecht aan niet-financiële prestatie-indicatoren toe. In 1972 kondigde de koning van Bhutan aan dat "het bruto nationaal geluk belangrijker was dan het bruto nationaal product". Een uitspraak waar de internationale gemeenschap zich vrolijk over maakte. Geluk is te subjectief - zo wierpen tal van deskundigen tegen - en te soft om als basis te fungeren voor een nationaal economisch beleid. Hoewel Bhutan geen eigen nationaal agentschap voor economisch onderzoek had, liet de Bhutaanse overheid zich niet uit het veld slaan. Ze richtte het Centre for Bhutan Studies op en gaf het de opdracht om een soort barometer van het nationale geluk op te stellen. Het daaruit resulterende systeem telde negen dimensies waaronder levensstandaard, onderwijs, gezondheid, bestuur en een aantal zeer complexe technieken om het psychologische welzijn te meten. Sindsdien kreeg het voorbeeld van Bhutan veel navolging. In 2008 richtte Nicolas Sarkozy een commissie op (onder leiding van twee winnaars van de Nobelprijs economie) om te bepalen welke componenten van geluk Frankrijk diende te meten. Vandaag hebben al 41 landen programma's opgestart om geluk te meten. Daarbij ook het Verenigd Koninkrijk, nochtans een bastion van kapitalisme op zijn Amerikaans. Wanneer een economie het goed doet, is dat meestal te danken aan innovatie. En wat werkt die innovatie in de hand? Als 'concurrentie' het enige antwoord is dat bij u opkomt, bent u in de tweede valkuil van het kapitalisme getrapt. Uiteraard kan concurrentie een stimulans zijn voor innovatie, getuige de strijd tussen Apple en Android. Het klopt ook dat een gebrek aan concurrentie de innovatie verstikt. Verizon en AT&T, in wezen een duopolie, kunnen niemand nog enthousiasmeren voor wat dan ook. Hieruit zouden we makkelijk kunnen besluiten dat concurrentie een afdoende indicator is voor innovatie en bijgevolg een noodzakelijke voorwaarde om economische waarde te creëren. Maar we zijn concurrentie ten onrechte gaan beschouwen als een betrouwbare indicator voor vitaliteit en we zijn daardoor keuzes gaan maken die die vitaliteit op den duur aantasten. Sector na sector wordt herleid tot een oligopolie. Focussen op het in stand houden van de concurrentie heeft dus geen zin meer. Het heeft ook tot gevolg dat we geen oog hebben voor een even rijke bron van innovatie in een wereld waarin alles met iedereen verbonden is: samenwerking. Terwijl we samenwerking net zouden moeten voeden en koesteren. De houding van Microsoft tegenover Kinect, een aanvulling op de spelconsole Xbox 360, is een fraai voorbeeld van de verschuiving van concurrentie naar samenwerking. Het product is uitgerust met een nieuwe 3D-sensor waarmee het videospel eender welke beweging kan detecteren zonder dat de speler een controller vasthoudt. Toen het product gelanceerd werd, kondigde Adafruit Industries - een bedrijf van opensourcehardware onder leiding van hacker Limor 'Ladyada' Fried - meteen aan dat het een beloning van 1000 dollar uitloofde voor wie erin slaagde de Kinect te hacken en de software online te zetten. Binnen 48 uur stond de code online. Overal ter wereld publiceerden innovatieve geesten formidabele toepassingen van de Kinect-sensoren, van het lezen van röntgenfoto's tot het in kaart brengen van grotten. Microsoft - dat aanvankelijk had gedreigd met rechtsvervolging - veranderde van strategie en sloot de nieuwe mogelijkheden in de armen, in het besef dat die houding niet enkel de samenleving maar ook de businessopportuniteiten van het bedrijf ten goede zou komen (zie ook blz. 100). Met een aantal eenvoudige veranderingen in het verschiet kan het kapitalisme evolueren en focussen op nieuwe activiteiten die de ruimere doelen van de samenleving weerspiegelen. Discrepanties zullen wellicht verdwijnen. Het kapitalisme is in staat om zich aan te passen en te blijven floreren. Stel u eens voor dat we beslissen dat wat we nu beschouwen als een hoeksteen van het kapitalisme - concurrentie - uiteindelijk toch niet zó belangrijk is. En stel dat we innovatie plots het belangrijkst gaan vinden. Meteen lijken initiatieven als Wikipedia en Linux niet meer zo onzinnig. Ook al zit concurrentie nog altijd stevig verankerd in het systeem, ze is niet langer het middelpunt van alles. Samenwerking wint terrein. Stel u eens voor dat het najagen van financiële winst niet langer het hart - en nog minder de ziel - zou zijn van het kapitalisme. Stel u eens voor dat kapitalisme zou focussen op waarde, op het grootste geluk voor het grootste aantal mensen. Deze formule wijst financiële winstgevendheid trouwens niet af maar maakt het wel mogelijk om die te combineren met andere vormen van winst. Verwacht wordt dat de groeilanden in de hele wereld snel zullen blijven groeien. Ze zullen nieuwe regels invoeren, die beter passen bij het informatietijdperk. Bovendien zullen deze markten zwaar genoeg wegen om de rest van de wereld te beïnvloeden. Neem nu de Bric-landen en de landen die door Goldman Sachs worden bestempeld als de 'Next Eleven'. Tussen 2004 en 2009 bedroeg de groei in deze vijftien landen 22 procent terwijl de landen van de G7 het moesten stellen met een schuchtere 1 procent. In 2000 kwam ruim driekwart van het wereldwijde BBP nog op het conto van de rijke landen. Tegen 2050 zal dit cijfer wellicht gedaald zijn tot 32 procent. Intussen is de connectiviteitsgraad in alle landen ter wereld al nagenoeg gelijk. Tot slot verwacht men dat de wereldbevolking tegen 2050 met drie miljard zal toenemen - nóg een bron van groei - maar dat slechts negentig miljoen van die drie miljard in de rijke landen zal wonen. Hoe zal het kapitalisme zich bevrijden van de uit de hand gelopen ideeën? De kapitalisten zullen nog altijd het geld volgen, zoveel is zeker. Anders gezegd: waar ze ook vandaan komen, ze zullen hoe dan ook zaken gaan doen in de opkomende markten, waar de groei het sterkst is. Net omdat die markten zo snel groeien, zullen ze ook sneller overschakelen op moderne infrastructuren. Vanuit hun jeugdige kracht zullen ze, eerder dan de verouderende maatschappijen in het Westen, door en door digitale culturen worden. Zij zullen de economische regels ontdekken die het informatietijdperk zullen kenmerken. Maar ze zullen hun keuzes maken zonder zich iets aan te trekken van de stelregels die wij in het Westen als vanzelfsprekend beschouwen, zonder te focussen op de twee uit de hand gelopen ideeën die in dit artikel zijn beschreven. Deze landen zullen de nieuwe technologieën het eerst in de armen sluiten. Ze zullen de regels uitwerken om die technologieën aan te wenden. En aangezien deze markten zo invloedrijk zullen zijn, zal de hele wereld hun regels overnemen. De groeilanden zijn voor het kapitalisme dus niet uitsluitend belangrijk omdat de grote ondernemingen er goedkopere arbeidskrachten kunnen vinden en omdat het opwindende markten zijn waar veel geld te rapen valt. Wel omdat net zij zullen onthullen welke economie het best past bij een wereld vol informatietechnologie. Naarmate het zwaartepunt van de handel verschuift naar nieuwe landen en nieuwe handen, zullen er nieuwe mechanismen opduiken om succes te meten en er lessen uit te trekken. Zij die geloven dat het kapitalisme zich kan aanpassen en niet mag vervallen in verlammende excessen, blijven zoeken naar nieuwe indicatoren van sterkte en onderschrijven de nieuwe regels. Samen kunnen wij het kapitalisme een nieuwe wending geven. Per slot van rekening zijn wij geen vrouwtjespauwen. © Harvard Business Review/New York Times SyndicateDe grote pauwenstaart onderscheidde de betere mannetjes van hun concurrenten, maar is uitgegroeid tot een levens-bedreigende ballast Stel u eens voor dat kapitalisme zou focussen op waarde, op het grootste geluk voor het grootste aantal mensen