In een aantal Oeso-landen zijn de regionale verschillen in werkgelegenheid en productiviteit zo groot, dat het beter is het loonoverleg niet langer centraal of nationaal te organiseren, maar op het niveau van regio's of deelstaten. Zo kunnen de sociale onderhandelaars beter inspelen op de lokale noden en kunnen er maatregelen genomen worden om de werkloosheid aan te pakken. Regio's waar de arbeidsproductiviteit lager ligt, kunnen kiezen voor lagere lonen om de competitiviteit van de bedrijven een impuls te geven.
...

In een aantal Oeso-landen zijn de regionale verschillen in werkgelegenheid en productiviteit zo groot, dat het beter is het loonoverleg niet langer centraal of nationaal te organiseren, maar op het niveau van regio's of deelstaten. Zo kunnen de sociale onderhandelaars beter inspelen op de lokale noden en kunnen er maatregelen genomen worden om de werkloosheid aan te pakken. Regio's waar de arbeidsproductiviteit lager ligt, kunnen kiezen voor lagere lonen om de competitiviteit van de bedrijven een impuls te geven. Uit de Oeso-studie OECD Employment Outlook 2006 blijkt dat landen als Duitsland, Italië en België grote regionale verschillen kennen in werkgelegenheid. Ze zouden hun loonoverleg dus best naar lagere beleidsniveaus overhevelen. Door het centrale loonoverleg zijn de loonkosten in Wallonië, bijvoorbeeld, te hoog. Dat is een oud zeer, al deed er zich de voorbije jaren een verbetering voor. Uit onderzoek op basis van NIS-cijfers blijkt dat van 1981 tot 1995 de loonkosten per werknemer in Wallonië hoger lagen dan in Vlaanderen. De arbeidsproductiviteit lag op 91,4 % van het Vlaamse niveau. Daardoor lagen de loonkosten per eenheid product 13 % hoger. Na 1995 is die situatie verbeterd. Tot 2004 is de arbeidsproductiviteit gestegen naar 94,8 % van het Vlaamse niveau, de loonkosten per werknemer zijn gedaald tot onder het Vlaamse niveau en de loonkosten per eenheid product zijn gezakt, maar liggen wel nog licht boven het Vlaamse niveau. De lat ligt dus nog niet helemaal gelijk (zie tabel: Waalse arbeidsproductiviteit stijgt t.o.v. Vlaamse productiviteit). Volgens Johan Van Gompel van de KBC-studiedienst kan decentraal loonoverleg helpen om de lonen in verhouding te brengen met de productiviteit: "Vandaag liggen de lonen in Wallonië lager dan in Vlaanderen, maar door de lage productiviteit zijn ze nog te hoog. De productiviteit is echter niet zo snel te verbeteren. Het omgevingsklimaat voor bedrijven is erg bepalend voor de productiviteit. De belastingdruk, regulering, industriële structuur, de flexibiliteit van de productmarkt en de arbeidsmarkt, en het niveau van de scholing spelen een rol. Wallonië scoort slecht op dat vlak. Als de omgevingsfactoren verbeteren, stijgt ook de productiviteit. Vaak is dat een zaak van lange termijn. Productiviteit verandert niet van de ene dag op de andere. De lonen kunnen wel sneller wijzigen."Is een decentrale loonpolitiek haalbaar? Dat is een andere zaak. En als het zover is, rest de vraag of de matiging mogelijk is met de machtige Waalse vakbonden (zie ook blz. 20: "Dit noem ik racketeering"). Bovendien is er een schaduwzijde: decentraal overleg zou een sterkere loonstijging in Vlaanderen mogelijk maken. Precies door het centrale loonoverleg kent Vlaanderen vandaag een matige loonontwikkeling. Dat is ook een van de redenen die de Waalse hoogleraar Robert Deschamps (Universiteit Namen) aangeeft om niet voor een regionaal loonoverleg te kiezen: "Bij het afsluiten van Vlaamse cao's zal de druk op de lonen enorm toenemen." Deschamps stelt zich ook vragen bij de oorzaken van het verschil in productiviteit. Volgens hem kunnen die voor een deel te verklaren zijn door de verschillende types van bedrijven in Vlaanderen en Wallonië: "Als in een regio sectoren met een hoge productiviteit sterker vertegenwoordigd zijn dan in een andere regio, maakt dat al snel een verschil. In de praktijk wordt overigens al rekening gehouden met regionale verschillen. Binnen de metaalsector worden de onderhandelingen op provinciaal vlak gevoerd."Op de vraag of Waalse cao's de werkloosheid zullen doen dalen via lagere lonen, antwoordt Deschamps klaar en duidelijk: neen. Volgens hem tonen econometrische analyses aan dat de hoge werkloosheid weinig effect heeft op de loonevolutie, althans in Europa. Door de insider-outsidertheorie (wie een job heeft, probeert de voordelen ervan te beschermen) zullen werkenden niet snel geneigd zijn hun privileges op te geven. Concreet: een loonstop om aanwervingen voor bedrijven aantrekkelijker te maken, is voor wie een job heeft geen interessante piste. De nieuwkomers of outsiders op de arbeidsmarkt worden door de insiders op een afstand gehouden. Selectieve loonkostenverlagingen in Wallonië zijn ook een probleem voor de sociale zekerheid. Lagere SZ-bijdragen van Waalse kant zal de discussie over de onevenwichtige transfers alleen nog aanwakkeren en het einde van de federale sociale zekerheid inluiden - een taboe in Franstalig België. Deschamps geeft toe dat de Waalse werkloosheid een groot probleem is. Een van de methodes om de Waalse arbeidsmarkt nieuwe impulsen te geven, heeft volgens hem te maken met een bijsturing van het huidige loonoverleg. Deschamps ziet wel wat in een versterking van de onderhandelingen op bedrijfsniveau: "Met de Europese eenheidsmarkt is de concurrentie veel transparanter geworden. Een bedrijf kan zich makkelijk met een concurrent in een buurland vergelijken en zijn sterkte of zwakte schatten. De loononderhandelingen op ondernemingsniveau spelen een cruciale rol voor de rentabiliteit van een onderneming. Anderzijds kan het sectoraal overleg een negatief effect hebben op de rentabiliteit bij bedrijven waar de arbeidsproductiviteit minder snel stijgt dan het gemiddelde van de sector." Dat is geen probleem bij volledige tewerkstelling, want dan is er een mobiliteit van de werknemers naar de meest performante bedrijven. Bij hogere werkloosheid heeft dat echter een ave-rechts effect. Ook de Leuvense econoom Joep Konings is gewonnen voor een groter gewicht voor de onderhandelingen op bedrijfsniveau. Secto-rale onderhandelingen worden immers binnen paritaire comités gevoerd en die zijn zeer ruim gedefinieerd. Binnen de sectoren kunnen er grote productiviteitsverschillen zijn. "Neem nu de voedingssector," zegt Konings. "InBev doet het zeer goed en andere bedrijven gaan zich richten op de meest performante onderneming. Maar niet alle ondernemingen in de sector presteren even goed."Alain Mouton Guido Muelenaer