Vorige week wees de Verenigde Naties met een beschuldigende vinger naar George Forrest, de Belgische mijnuitbater in Congo . In een kritisch rapport wordt zijn betrokkenheid bij de illegale exploitatie van Congolese bodemrijkdommen aan de kaak gesteld. Een publieke uitbrander die in schril contrast stond met zijn recente verhoor voor de parlementaire onderzoeksommissie Grote Meren, toen de controversiële zakenman liet verstaan dat er tegen hem een beschadingsoperatie bezig is.
...

Vorige week wees de Verenigde Naties met een beschuldigende vinger naar George Forrest, de Belgische mijnuitbater in Congo . In een kritisch rapport wordt zijn betrokkenheid bij de illegale exploitatie van Congolese bodemrijkdommen aan de kaak gesteld. Een publieke uitbrander die in schril contrast stond met zijn recente verhoor voor de parlementaire onderzoeksommissie Grote Meren, toen de controversiële zakenman liet verstaan dat er tegen hem een beschadingsoperatie bezig is. "Pure jaloezie. Op die manier een concurrent proberen te elimineren die alleen dankzij veel inspanningen succes kent, is een oude droom van mensen die vlug en veel winst nastreven, zonder ook maar één investering te doen," aldus Forrest.Wellicht viseerde de Belgische zakenman hiermee vooral zijn aartsrivaal Billy Rautenbach, de blanke Zimbabwaan wiens naam geregeld opduikt in de parlementaire onderzoekscommissie. Of zijn het de Zuid-Afrikaanse mijnreuzen zoals Anglo American en Billiton, die - in de logica van Forrest - de Belgische belangen in Congo zouden dwarsbomen? Rautenbach verloor, naar eigen zeggen ten gevolge van een perfide machtsstrijd om de mijnbelangen in Congo, zijn hele business in Botswana en Zuid-Afrika. Zevenduizend werknemers kwamen op straat terecht. Hij spande ook een zaak in tegen het staatsmijnbedrijf Gécamines en de Congolese regering. Bij het arbitragehof voor internationale geschillen in Washington diende hij een schadeclaim van 500 miljoen dollar in. Ten gevolge van een reeks juridische acties van het Zuid-Afrikaanse Directorate for Serious Economic Offences werd Rautenbachs bedrijvengroep Wheels of Africa in december 1999 failliet verklaard. Wheels was een conglomeraat van transportbedrijven en automontagefabrieken voor Volvo en Hyundai, met een sterk distributienetwerk in Botswana, Zimbabwe en Zuid-Afrika. Het Zuid-Afrikaanse gerecht beschuldigde Rautenbach onder meer van moord op de topman van Daewoo en van wapen- en ivoorsmokkel. "Om hun naam niet te besmeuren, trokken Volvo en Hyundai zich uit de Wheels-business terug, draaiden de banken de kranen dicht en verloren duizenden mensen hun baan," aldus Rautenbach. Zijn bezittingen werden in Zuid-Afrika in beslag genomen. Volgens George Forrest werd er tegen Rautenbach ook een internationaal aanhoudingsmandaat uitgevaardigd. Rautenbach ontkent dat en Interpol weigert het te bevestigen. Ook het parket van Brussel wil er niets over kwijt. Nadat Rautenbach een reeks processen had gewonnen, verdwenen de ivoor- en wapensmokkel en de moordzaak uit de aanklacht en verschoof de klemtoon naar een grootscheepse BTW- en douanefraude in Botswana. Zelf diende de Botswaanse overheid nooit klacht in, maar aangezien dat landje deel uitmaakt van een douane-unie met Zuid-Afrika, beet de openbare aanklager in Pretoria zich in de zaak vast. In het kielzog daarvan werden twee Belgische bankiers meegesleurd, in wat zij ervoeren als "een politiek steekspel dat door de Zuid-Afrikaanse veiligheidsdiensten juridisch is opgezet". Beiden waren beschuldigd van corruptie en witwasoperaties voor rekening van Rautenbach.Vorig jaar werden de twee bankiers door de Zuid-Afrikaanse justitie over de hele lijn vrijgesproken. Twee weken geleden werd ook Rautenbach door het Hooggerechtshof van Johannesburg gezuiverd. Hij kijkt grimmig terug op de hele zaak. "Ik werd in de media in België en in Congo opgevoerd als de baarlijke duivel. In Zuid-Afrika kopten de kranten dat ik een van de grootste economische criminelen was," zegt hij.Poespas om GécaminesToen Billy Rautenbach - na de machtsgreep van wijlen Laurent-Désiré Kabila in Congo - de leiding over Gécamines kreeg, had hij bij de Belgische regering bezwaar aangetekend tegen een staatswaarborg van Delcredere voor de kobaltslagsmelter van STL in Lubumbashi. "De Amerikanen investeerden en brachten hun technologie in, Gécamines de ertsen. Zij kregen respectievelijk 55% en 20% in STL. Op welke grond zou Forrest dan 25% moeten krijgen? Ik eiste een hogere participatie voor Gécamines op, want met slechts 20% dreigde het staatsbedrijf twintig jaar lang een broodnodige inkomstenstroom aan zijn neus voorbij te zien gaan. Uiteraard ging mijn eis regelrecht tegen de belangen van de Forrest-groep in," zegt Rautenbach. "Ik heb de Belgische regering daarover ingelicht en aanvankelijk was er verzet tegen de staatswaarborg van Delcredere. Maar onder politieke druk werd dat bezwaar van tafel geveegd en mocht ik opstappen, terwijl George Forrest voorzitter van Gécamines werd." Tegenover de 'nieuwkomers' - Zimbabwe en Zuid-Afrika - wierp Forrest zich op als de verdediger van de Belgische belangen in Congo. Onder leiding van minister van Buitenlandse Zaken Louis Michel ( MR) schoot de Belgische diplomatie in actie en keken financiële kringen in Brussel sympathiserend toe hoe "onze man in Katanga" (Forrest liet zich tot Belg naturaliseren) zijn posities consolideerde. Billy Rautenbach werd ook belangenvermenging en mismanagement in de mijnexploitatie van Gécamines verweten. Zelf houdt hij vol dat de inkomsten uit zijn Central Mining Group ( CMG) - waarin zijn bedrijf Ridgepointe, geregistreerd op de Britse Maagdeneilanden, officieel 80% aanhield en Gécamines 20% - eigenlijk voor 67,5% naar Congo vloeiden. "In de achttien maanden dat CMG operationeel was, ging 37 miljoen dollar aan opbrengsten naar de regering-Kabila, die zo'n 20% daarvan zou doorstorten aan Gécamines." Rautenbach hield naar eigen zeggen slechts de resterende 32,5% over. Hij beweert geen binding te hebben met die andere blanke Zimbabwaan, John Bredenkamp, die ook in het VN-rapport geschandvlekt wordt. Rautenbach zelf wordt in het VN-rapport niet in een negatief daglicht geplaatst, hoewel de VN vraagtekens plaatst bij 20 miljoen dollar winst die Rautenbach via zijn Central Mining Group uit de mijnexploitatie zou hebben gehaald. Meteen nadat George Forrest de leiding over Gécamines kreeg, verscheurde president Laurent Kabila het CMG-contract. Dat ontlokt Rautenbach de opmerking: "In Brussel heeft men mij afgeschilderd als een mannetje van de Zimbabwaanse president Mugabe. Als ik effectief zijn pion was, dan zouden de 12.000 Zimbabwaanse soldaten die toen in Congo gelegerd waren, toch niet passief hebben toegekeken? Met één pennenstreek werd CMG door Kabila opgeblazen. Dat gebeurde op 14 maart 2000, een dag voordat Louis Michel in Kinshasa landde. En op de fax waarmee dat bericht binnenkwam, prijkte de naam van Forrests bedrijf EGMF. Neen, men wilde mij treffen omdat ik voor bepaalde belangen een sta-in-de-weg was." Hij onderhandelt nu met de Congolese regering over een minnelijke schikking voor het verlies van zijn Central Mining Group. Pikant detail: mogelijk zou hij ter compensatie de mijn van Shinkolobwe mogen uitbaten, een ontginningsgebied waarop de Forrest-groep vroeger al haar oog had laten vallen.Erik Bruyland [{ssquf}]Lees een uitgebreid artikel over de Rautenbach/Forrest-saga op www.trends.be"Met één pennenstreek werd mijn Central Mining Group door Kabila opgeblazen. En op de fax waarmee dat bericht binnenkwam, prijkte de naam van Forrests bedrijf."