Dat elf Europese landen aan de Maastricht-criteria beantwoorden, is de meest wonderbaarlijke economische creatie uit de geschiedenis. Europa telt ministers van Financiën van wie de neus groeit zoals die van Pinocchio.
...

Dat elf Europese landen aan de Maastricht-criteria beantwoorden, is de meest wonderbaarlijke economische creatie uit de geschiedenis. Europa telt ministers van Financiën van wie de neus groeit zoals die van Pinocchio. ( De voormalige Britse premier John Major, in Newsweek, 16 maart 1998) Een economie is geen bedrijf: de kosten van de ene zijn altijd de verliezen van de andere. Een economisch en financieel beleid dat alleen op lagere kosten is gefocust, snijdt in zijn eigen vlees. De verliezen op de binnenlandse markt wegen nooit op tegen de winsten op exportvlak. ( Uit het nieuwe boek "Keine Angst vor der Globalisierung" van SPD-voorzitter Oskar Lafontaine en zijn vrouw Christa Müller, in Der Spiegel, 11/1998) Hoge werkloosheidscijfers lijken een uniek kenmerk van de landen die toetreden tot de Economische en Monetaire Unie (EMU). In Amerika en Japan is het werkloosheidscijfer niet zo verschillend van dat van de jaren '70. Ook niet-EMU-landen als Noorwegen, Zwitserland en Groot-Brittannië halen werkloosheidscijfers van slechts 4%, 5,5% en 6%. Het grote aantal werklozen in de EMU is het gevolg van de nefaste combinatie van een strikt monetair beleid en een al even rigide fiscale politiek, die nodig was om te slagen voor het Maastricht-examen. ( Franco Modigliani, die in 1985 de Nobelprijs Economie kreeg, en Giorgio La Malfa, voorzitter van de Italiaanse Republikeinse partij, in The International Herald Tribune, 10 maart 1998) Door de moderne technologie kunnen met één druk op de knop miljarden dollar worden getransfereerd van het ene land naar het andere. Dergelijke transfers zijn vaak gebaseerd op geruchten. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) doet er goed aan dit fenomeen zo snel mogelijk aan te pakken. ( De Singaporese premier Goh Chok Tong, in Financial Times, 9 maart 1998) Er zijn ernstige economische redenen om niet mee te drijven op de politieke stroom van de arbeidsduurverkorting. Aanvaarden dat die de loontrekkenden zal doen instemmen met een verminderde groei van hun koopkracht in ruil voor meer vrije tijd, is een kwestie van geloof. Als dat geloof ontbreekt, zou ook een vermindering van de werkloosheid wel eens ijdele hoop kunnen zijn. ( De Franse professoren Antoine d'Autume en Pierre Cahuc, in Le Monde, 10 maart 1998)