Net toen de wolken en muizenissen zowat verdwenen, reed de Nederlandse dichter Jan Hanlo zich met zijn motor de dood in. Net toen, in 1969, was hij druk bezig om zijn nog jonge Marokkaanse vriendje opnieuw naar Nederland te halen. In Marokko had hij eindelijk ook een gemeenschap gevonden waar hij zijn verlangen naar knapen ietwat vrijmoediger kon uiten. In Nederland had hij voor het strelen van de borst van een vijftienjarige jongen al een celstraf opgelopen. Dat laatste leek echter nog het minste van zijn zorgen. In het Duitse werkkamp, waar hij tijdens de oo...

Net toen de wolken en muizenissen zowat verdwenen, reed de Nederlandse dichter Jan Hanlo zich met zijn motor de dood in. Net toen, in 1969, was hij druk bezig om zijn nog jonge Marokkaanse vriendje opnieuw naar Nederland te halen. In Marokko had hij eindelijk ook een gemeenschap gevonden waar hij zijn verlangen naar knapen ietwat vrijmoediger kon uiten. In Nederland had hij voor het strelen van de borst van een vijftienjarige jongen al een celstraf opgelopen. Dat laatste leek echter nog het minste van zijn zorgen. In het Duitse werkkamp, waar hij tijdens de oorlog naartoe gebracht werd, had hij de hel al meegemaakt. Maar zijn inferno liep verder uit in een psychiatrische inrichting, die veeleer doet denken aan de donkerste dagen van de Middeleeuwen dan aan het Nederland van de twintigste eeuw. De dwangneurosen en pedofiele neiging van Hanlo waren al gekend, maar de journalist, recensent en literatuurhistoricus Hans Renders zette zijn speurwerk onvermoeibaar voort naar getuigenissen en archieven om te weten te komen wat er zich afgespeeld heeft achter de muren van de psychiatrische instellingen waarin de dichter opgenomen werd. Vooral in het Sint-Willibrordus-hospitaal ging het er dantesk aan toe. De instelling was berucht voor haar behandeling van pedofielen en homoseksuelen. Zelfs in de jaren veertig en vijftig nog kregen ze insulinespuiten tot ze in coma geraakten. Wie daaruit kwam, kreeg een tweede geboorte en had meteen kans om van zijn specifieke seksuele geaardheid verlost te zijn (sic). Niet zelden werden de slachtoffers geholpen door een castratie. In Zo meen ik dat ook jij bent (de titel verwijst naar één van de vroege gedichten van Hanlo) concludeert de biograaf dat ook de dichter dit lot onderging. Hij vindt bevestiging bij het Marokkaanse vriendje, al komt die niet helemaal duidelijk over. Als vroom katholiek kon Jan Hanlo sowieso zijn seksualiteit niet aanvaarden. Bovendien bleef hij als adolescent en volwassene ongewoon sterk gehecht aan zijn moeder. Zijn vader heeft hij zelden gezien. Toen hij nog een peuter was, scheidden zijn ouders. Bovendien kampte hij met een stevig Peter Pan-syndroom. Hij had angst om volwassen te worden. Gaandeweg greep hij ook te vaak en te veel naar de fles. Over zijn oeuvre komen we niet echt veel nieuws te weten in deze nochtans volumineuze biografie. De roddels en het spitten naar anekdotes halen het op de literaire analyse. Dat is wat vreemd, want tegelijkertijd met de biografie werkte Renders ook een proefschrift af over de dichter. Daarop promoveerde hij aan de Katholieke Universiteit Brabant. Met één opzienbarend besluit pakt hij wel uit. Hij rekent Hanlo uitdrukkelijk niet tot de Vijftigers. Hij ziet Hanlo veeleer als een neodadaïst die zich laat beïnvloeden door klankpoëten à la Van Ostaijen. Klanken als uiting van zijn onrust, zijn kwellingen en neurosen. Arbeiderspers, 677 blz., 1500 fr. ISBN 902953513X. LUC DE DECKER