Borreltafeleconomen beweren dat de globalisering van de economie de welvaart en de werkgelegenheid in het Westen aanvreet. Lagelonenlanden concurreren ons uit de markt. Onzin, poneert de Amerikaanse econoom Paul Krugman.
...

Borreltafeleconomen beweren dat de globalisering van de economie de welvaart en de werkgelegenheid in het Westen aanvreet. Lagelonenlanden concurreren ons uit de markt. Onzin, poneert de Amerikaanse econoom Paul Krugman.Verrassend vlug verschijnt de vertaling van Pop Internationalism, het jongste boek van de vranke economische vrijbuiter Paul Krugman. De Nederlandse titel, De borreltafeleconomie, mikt al meteen op de gangbare opvattingen over de malaise in ons economische huishouden. Vooral het afbrokkelen van onze industrie wordt door zowat alle politieke kleuren en sociale wimpels toegeschreven aan de vervalste concurrentie uit de lagelonenlanden. Zelfs de strijdliederen over internationale solidariteit verstommen erbij. Gewapend met statistieken, economische theorieën en talloze voorbeelden, wil prille veertiger Krugman aantonen dat we de oorzaken van onze problemen binnen de eigen landsgrenzen moeten zoeken. Hij heeft het weliswaar uitsluitend over de Verenigde Staten, maar in zijn betoog herkennen we mutatis mutandis dezelfde problemen waarmee West-Europese industriestaten worstelen. Al wie bijdraagt tot het instandhouden van de populaire opvatting, noemt Krugman gemakzuchtige borreltafeleconomen. Sidmar-baas Norbert von Kunitzki, die zopas nog in zijn boek De fata morgana van de Europese muntunie voor een selectief protectionisme pleitte als antwoord op de unfaire concurrentie, zal er niet om kunnen lachen (zie Trends van 14 november). AUTOMATISERING.De Verenigde Staten (en de Europese Unie) zouden er ongeveer even goed of even slecht aan toe zijn als de wereldmarkten niet in toenemende mate vervlochten waren. Zo luidt de kernconclusie van Krugman. Nochtans merken we dat onze industrie erdoor krimpt. Een economisch bakerpraatje, werpt Krugman tegen. De toegevoegde waarde en de tewerkstelling in de industriële sector nemen al sedert 1950 af. "Voor 1970 schreven degenen die zich zorgen maakten over deze trend, deze gewoonlijk toe aan automatisering dat wil zeggen, de snelle groei van de productiviteit in de industrie. Sindsdien is het gebruikelijk geworden om de desindustrialisatie toe te schrijven aan de groeiende invoer. Inderdaad nam de invoer tussen 1970 en 1990 toe van 11,4 % tot 38,2 % van de bijdrage van de industrie aan het BBP. In de loop van dezelfde 20 jaar nam de export van industrieproducten eveneens een grote vlucht, van 12,6 % tot 31 % van de toegevoegde waarde."De invloed op de tewerkstelling moet dus van elders komen : "Veel industriële bedrijven hebben misschien werknemers ontslagen in verband met buitenlandse concurrentie, maar anderen hebben juist extra mensen aangenomen om voor de groeiende exportmarkten te produceren."Door de opbouw van het boek, een bundeling van essays uit onder meer Harvard Business Review, herhaalt Krugman zich geregeld in het uitspitten van de problematiek. Dat verhindert evenwel niet dat hij even goed de logische, zij het zeker niet populaire oorzaken op een rij zet. Naast de automatisering en de productiviteitsgroei, wijst hij ook op het relatief geslonken aandeel van de goederen in de consumentenkorf. Mensen reizen nu ook, storten zich op het expansieve amusementsaanbod en maken gebruik van allerhande diensten, waardoor het aandeel van de goederen afneemt. LAGER LOON.Een andere populaire theorie waarschuwt dat de lonen van de laaggeschoolde werknemers dalen onder druk van de internationale concurrentie. Die druk constateert ook Krugman, maar het fenomeen van stagnerende lonen is volgens hem te wijten aan het afgenomen tempo van de productiviteitsgroei in de economie als geheel. Laaggekwalificeerde werknemers krijgen het daarbij extra moeilijk omdat er in de technologisch geavanceerde economie alsmaar minder vraag naar hun diensten is. Beklemtoont hij : "Onze handel met de rest van de wereld speelt in elk van die oorzaken hoogstens een geringe rol."De robotisatie stoot sowieso al heel wat arbeid in goed betalende sectoren af. De steeds aanzwellende massa die uit de boot valt, zoekt haar heil in de dienstensector, waar er echter lang niet zo stevig verloond wordt. Wie hieraan iets wil doen, mag vooral de grenzen niet sluiten. Krugman legt er stevig de nadruk op dat vrijhandel iedereen ten goede komt. Zijn analyse gaat zelfs verder : protectionisme is nefast en verarmt zowel de Derde Wereld als de industrielanden.GEEN MIRAKELTIJGERS.Krugmans diagnose en de gevolgen ervan reiken nog veel verder. Het boek wordt dan ook dé lectuur bij uitstek om straks de nieuwjaarsrecepties op te luisteren met enkele controversiële stellingen.Zelfs de spectaculaire groeivoeten van de Aziatische Tijgers nuanceert Krugman drastisch. Het mirakel van Singapore, bijvoorbeeld, blijkt meer gebaseerd te zijn op transpiratie dan op inspiratie. Er worden meer middelen (ook menselijke) tegenaan gegooid, maar van een toegenomen efficiëntie is geen sprake. De Tijgers zijn dan ook reuzen op lemen voeten. LUC DE DECKER Paul Krugman, De borreltafeleconomie. Spectrum, 232 blz., 695 fr.