Kempense Steenkoolmijnen (KS) was begin de jaren negentig van de twintigste eeuw de eigenaar van vier energiecentrales en investeerde in onderzoek naar een wervelbedcentrale. De opdoeking van KS leidde tot de verwerving door Electrabel van de productiecapaciteit van het tweede grootste energiebedrijf van België. Het onderzoek in de wervelbedtechnologie werd stilgelegd en later herstart door Electrabel.
...

Kempense Steenkoolmijnen (KS) was begin de jaren negentig van de twintigste eeuw de eigenaar van vier energiecentrales en investeerde in onderzoek naar een wervelbedcentrale. De opdoeking van KS leidde tot de verwerving door Electrabel van de productiecapaciteit van het tweede grootste energiebedrijf van België. Het onderzoek in de wervelbedtechnologie werd stilgelegd en later herstart door Electrabel. Peter Kluft, toenmalig gedelegeerd bestuurder van KS, trachtte voor de steenkolencentrales alternatieven te ontwikkelen. Het Zeus-project moest een van de vijf vernieuwde divisies zijn van KS. De sluiting van de centrales van KS was gepland door zijn voorgangers: Zolder in 1993, Beringen in 1994 (bij de ingebruikname van het wervelbed), Eisden en Waterschei in 1996. KS wilde Eisen en Waterschei overschakelen op alternatieve brandstoffen. De kennis van energie en verbrandingstechnieken had het bedrijf in huis. De centrales waren aangesloten op het elektriciteitsnet. Peter Kluft redeneerde dat KS beschikte over een interessante energiebron en dat deze beter kon gemoderniseerd en omgeschakeld worden. Die omschakeling paste in het opzet om KS vooruitstrevend in milieutechnologie te maken. In Beringen werd intensief onderzoek gedaan naar de verbranding van slib, met positieve resultaten. In Eisden ontwikkelde KS een project voor de verbranding van rubber, vooral autobanden. Rubberverbranding is een nette manier om energie op te wekken. Een studie van toenmalig minister van Milieu Theo Kelchtermans (CD&V) bevestigde dat dit doenbaar was en geen zwarte, bijtende rook zou opleveren voor de omwonenden mits aangepaste en beschikbare technologie. Het project werd ingediend bij de Vlaamse regering. Er kwam uit die hoek geen reactie. Een Amerikaanse groep, die met haar centrale in de VS een milieuprijs had gewonnen, zou bijstand geven. Voor Zolder zou de centrale in het milieubedrijvenpark behouden blijven en afgestemd worden op de verbranding van synthetisch afval. Alleen de centrale van Waterschei diende te verdwijnen, volgens het strategisch plan van Peter Kluft, omdat er geen behoefte bestond aan haar capaciteit en omdat ze op het terrein voor het toeristisch project van KS lag. De energiedivisie steunde op de expertise van de eigen ingenieurs en had contacten met onder meer Begemann voor de bouw van gasturbines, met de Californische groep Solar en met General Electric (VS). Het essentiële was een koppeling tot stand te brengen tussen de kennis van de verbrandingstechnieken en energie en de nieuwe milieutechnologieën. KS had goede relaties met Indaver, Electrabel en Tractebel. De eigen KS-milieuknowhow en de goede relatie met de Vlaamse Milieuholding konden de afvalstromen genereren die nodig waren voor Zeus. Tot 1992 was de sluiting zonder pardon gepland. De nieuwe leiding zocht een alternatief. KS is ook voor dat aspect van de vernieuwing door politiek gesjoemel een flop geworden. F.C.