Ik kocht de zevende druk. Hoe God verdween uit Jorwerd is het gevoelige verslag over de gedaanteverandering van een Fries dorp. Tussen oktober 1996 en april 1997 verschenen zeven edities van Geert Maks boek, de zevende editie is niet de laatste. Hoe minder boeren, hoe minder dorpswinkeliers, hoe minder gerammel van melkkannen om vier uur 's ochtends, hoe minder mest op de wegen; hoe meer discounts, hoe meer stedelijke importmensen, hoe meer house party's tussen de rapen, hoe meer het heimwee oplaait over het verval van de plattelandseconomie. In 1850 werkt de helft van de Belgische beroepsbevolking in de landbouw, vandaag 3 procent. In 1990 omvat de landbouw 7,5% van de totale tewerkstelling van de Oeso-landen, maar slechts 2,7% van hun bruto binnenlands product. Omgekeerd evenredig met de wegsmelting van de boeren in landen waar ze eens overheersend waren, groeit de mythe dat ze het middelpunt zijn van een zuivere, superieure cultuur: ...

Ik kocht de zevende druk. Hoe God verdween uit Jorwerd is het gevoelige verslag over de gedaanteverandering van een Fries dorp. Tussen oktober 1996 en april 1997 verschenen zeven edities van Geert Maks boek, de zevende editie is niet de laatste. Hoe minder boeren, hoe minder dorpswinkeliers, hoe minder gerammel van melkkannen om vier uur 's ochtends, hoe minder mest op de wegen; hoe meer discounts, hoe meer stedelijke importmensen, hoe meer house party's tussen de rapen, hoe meer het heimwee oplaait over het verval van de plattelandseconomie. In 1850 werkt de helft van de Belgische beroepsbevolking in de landbouw, vandaag 3 procent. In 1990 omvat de landbouw 7,5% van de totale tewerkstelling van de Oeso-landen, maar slechts 2,7% van hun bruto binnenlands product. Omgekeerd evenredig met de wegsmelting van de boeren in landen waar ze eens overheersend waren, groeit de mythe dat ze het middelpunt zijn van een zuivere, superieure cultuur: Heimat-behoeders. Van dat sentiment profiteert de Boerenbond bij elke discussie over de besmeuring van het Belgische milieu door de landbouw, over het verminderen van de varkensstapel, over de invoer van Oost-Europese voedselproducten, over de verkleining van de subsidies voor het gesloten marktsysteem dat de Europese Unie een Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) noemt. De boeren en hun vertegenwoordigers verzetten zich tegen vanzelfsprekendheden zoals de staalarbeiders van Forges de Clabecq. Niemand heeft van Godswege het recht om het land te bebouwen, of van Godswege het recht om Vlaanderen vol te stouwen met hokken tot een Pig Valley. In een markteconomie heeft iedereen de vrijheid om landbouwer te zijn, maar niet op kosten van andere mensen. Met open ogen nemen de varkensboeren hun risico, waarom moet de belastingbetaler mee opdraaien voor dat risico als er haarden zijn van varkenspest en massaal dieren dienen te worden opgeruimd? De boeren leven in een economisch Utopia. Tering en nering dienen naar mekaar toe te komen in de Europese landbouw. Electoraal is vandaag de landbouw in Europa van weinig of geen tel. De enige Belgische partij met schrik van de agrariërs is de CVP. Bij elk nitratenrapport staan de Boerenbonders op de stoep bij de christen-democraten. Als de Franse politici, de grote pleitbezorgers van de GLB, het aantal boerenkiezers hadden geteld, waren ze minder radicaal geweest bij het vormgeven van het GLB.Het Gemeenschappelijke Landbouwbeleid had en heeft een politieke functie, het economische nut was van bij de start twijfelachtig. Het GLB tilt de Europese landbouwprijzen boven de wereldmarktprijzen uit door het opkopen van overschotten tegen vastgestelde prijzen. Het landbouwbeleid blijft een absurd hoog percentage opslokken van de EU-begroting. Dat is vandaag een onredelijk gebruik van middelen en dat was het ook al in de vroegste jaren van de Gemeenschap. Zelfs in 1960 - het GLB startte in 1962 - was de bijdrage van de landbouw aan het Franse bruto nationaal product 9 procent. Frankrijk was de vragende partij. Waarom kwam het GLB tot stand? Heeft het te maken met Europa, met solidariteit, met economische logica? Minder dan de officiëlen en de boerensyndicaten willen geweten hebben. Het platteland van Europa lijdt vanaf het einde van de negentiende eeuw aan overbevolking, ondanks landverhuizing naar de steden en verre continenten. Tijdens het interbellum verslechterde de toestand van de boeren. Een armlastige plattelandsbevolking met stemrecht keerde zich van Duitsland tot Bulgarije naar fasciserende of populistische partijen. Dat vergeten we vandaag. In 1950 vormden de boeren op het vasteland nog een grote bevolkingsgroep, 25% van de beroepsbevolking in West-Duitsland, 30% in Frankrijk, 43% in Italië. De voedselimport moest laag gehouden worden om de schaarse deviezen te sparen. Na het overwinnen van de acute productiecrisis in 1955 werd de uitdaging drievoudig: de landbouwprijzen hoog houden voor de boeren, de consumenten niet te diep in de beurs doen grijpen, de stijgende landbouwproductiviteit dirigeren. Het merkwaardige aan het GLB is dat het grootste deel van de boeren weinig tot geen baat heeft bij die politiek, zelfs niet in Frankrijk. Grote graan- en zuivelproducenten strijken voornamelijk de voordelen op, de verbouwers van andere Europese landbouwproducten - olijven, groenten, fruit en wijn - krijgen veel minder aangeboden.Demografische feiten en economische berekeningen tellen in het agrarische beleid amper mee. Het dure Europese landbouwprogramma is volledig in tegenspraak met de liberaliserings- en marktconforme tendensen in Europa en in geen enkele verhouding tot het aantal kiezers dat ermee gediend wordt. Karteljager Karel Van Miert zou best zijn confrater, landbouwcommissaris Franz Fischler, aanpakken over een sector die leeft van bescherming, ondoorzichtige prijzenvorming en spilzucht. Sedert 1992 en 1994 is traag de weg van de hervormingen ingeslagen. De nieuwe EU-leden van Centraal-Europa zullen dit proces versnellen. De toekomst voor de meeste boeren van Vlaanderen is die van parkwachter op een herbebost platteland. Kweek de Vlaamse varkens in Oekraïne. FRANS CROLS