De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.
...

De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.en eerste maatregel heeft te maken met de opvang van bejaarden. De regering wil naar eigen zeggen een gunstiger fiscaal klimaat creëren voor wie de inspanning doet om bejaarde familieleden bij hem of haar te laten inwonen. Daartoe paste de overheid de regeling inzake de verhoging van het belastingvrij minimum aan. Vandaag heeft men recht op een verhoging van het belastingvrij minimum voor kinderen die men ten laste heeft en ook voor bepaalde andere personen ten laste. In essentie gaat het in dat laatste geval om de ouders van de belastingplichtige en om de zijverwanten tot en met de tweede graad (broers en zussen). De verhoging voor deze 'andere' personen is evenwel beperkt tot een (nog te indexeren) bedrag van 870 euro per persoon ten laste. Bovendien is vereist dat de betrokkene geen bestaansmiddelen heeft die hoger zijn dan (ook nog te indexeren) 1800 euro per jaar. Voor het aanslagjaar 2005 (inkomsten van 2004) is dit laatste bedrag, na indexaanpassing, gelijk aan 2490 euro. In de praktijk heeft dit tot gevolg dat men slechts in zeer weinig gevallen recht heeft op deze verhoging van het belastingvrij minimum. Een ouder die bijvoorbeeld een pensioen geniet, zal immers al gauw meer bestaansmiddelen hebben dan de toegelaten grens van (nog te indexeren) 1800 euro per jaar. TWEE. De regeling waaraan op dit ogenblik in het parlement de laatste hand wordt gelegd, sleutelt daarom op twee manieren aan het bestaande stelsel. Om te beginnen, wordt een aanpassing doorgevoerd aan het bedrag van de verhoging van het belastingvrij minimum. Terwijl die op dit ogenblik (nog te indexeren) 870 euro bedraagt, stijgt die naar (ook nog te indexeren) 1740 euro, op voorwaarde dat het gaat om een persoon die de hoedanigheid heeft van ascendent (ouder, grootouder enzovoort) of zijverwant tot en met de tweede graad (broer of zus) en deze persoon ten minste 65 jaar oud is. Bovendien wordt ten aanzien van dezelfde personen gesleuteld aan het bedrag dat zij aan bestaansmiddelen mogen hebben. Bij de beoordeling of zij wel of niet als persoon ten laste in aanmerking komen, zal geen rekening meer worden gehouden met een eerste schijf van (nog te indexeren) 14.500 euro per jaar aan pensioenen. Het aantal gevallen waarin de opvang van bijvoorbeeld oma of opa tot een fiscaal voordeel leidt, moet daardoor serieus kunnen stijgen. Een bescheiden pensioen kan de toepassing van de verhoging van het belastingvrij minimum niet langer in de weg staan. Tegelijk blijft het voordeel beperkt. De maatregel houdt, ook in de nieuwe regeling, slechts een bescheiden verhoging van het belastingvrij minimum in. Het effectieve belastingvoordeel is dus relatief klein. KINDEREN. Een tweede maatregel heeft te maken met ouders die het ongeluk hebben een kind te verliezen bij een miskraam of bij een doodgeboorte. De verhoging van het belastingvrij minimum voor kinderen die ten laste zijn, geldt in principe alleen op voorwaarde dat het kind op 1 januari van het aanslagjaar deel uitmaakt van het gezin van de belastingplichtige. Normaal gezien, is dus vereist dat het kind op die datum in leven is. Een aantal jaar geleden is evenwel al in een correctie op deze voorwaarde voorzien. Wie het ongeluk heeft dat een kind in de loop van het inkomstenjaar sterft, kreeg vroeger daarbovenop nog een fiscale pil te slikken. Aangezien het kind in de loop van het inkomstenjaar overleden is, maakt het op 1 januari van het aanslagjaar (zijnde het jaar dat volgt op het inkomstenjaar) geen deel meer uit van het gezin van de belastingplichtige. En dus had men in principe geen recht meer op de verhoging van het belastingvrij minimum. Die onrechtvaardige behandeling is verschillende jaren geleden al opgelost. Een kind dat in de loop van het inkomstenjaar overlijdt, wordt toch nog (voor het daaropvolgende aanslagjaar) als kind ten laste beschouwd. Op voorwaarde dat het voor het vorige aanslagjaar al ten laste was, of dat het in de loop van het inkomstenjaar geboren en overleden is. De nieuwe regeling waaraan op dit ogenblik in het parlement ook de laatste hand wordt gelegd, gaat nog een stapje verder. Voortaan mag ook een doodgeboren kind (voor het daaropvolgende aanslagjaar) als kind ten laste worden beschouwd. En geeft het dus ook recht op de verhoging van het belastingvrij minimum voor kinderen die ten laste zijn. Hetzelfde geldt in geval van verlies van een kind bij een miskraam na ten minste 180 dagen zwangerschap. De grens van 180 dagen zwangerschap is afgekeken uit de regeling inzake kraamgeld. Bij een miskraam heeft men ook recht op kraamgeld, opnieuw op voorwaarde dat de zwangerschap minstens 180 dagen heeft geduurd. VERKIEZING. De twee besproken maatregelen zijn zonder meer toe te juichen. Hoewel zij in de praktijk slechts in een beperkt aantal gevallen van toepassing zullen zijn, houden zij een substantiële verbetering in van de gezinsfiscaliteit. Merkwaardig is wel dat de beide maatregelen pas vanaf het aanslagjaar 2006 in werking treden. Dit wil zeggen dat zij vandaag nog geen effect ressorteren. De nieuwe maatregelen gelden slechts voor wie in 2005 een miskraam heeft of een doodgeboren kind baart, of een inwonende ascendent of broer of zus (van ten minste 65 jaar) heeft. Waarom deze maatregelen dan (samen met een handvol andere) begin dit jaar halsoverkop aangekondigd moesten worden? Dat had duidelijk met de nakende verkiezingen te maken. Veel blijkt het overigens niet geholpen te hebben. Jan Van Dyck Jan Van DyckPensioenen tellen nog slechts in beperkte mate als bestaansmiddelen mee.