U zei financieringswet?

De financieringswet dateert van 16 januari 1989 en volgde op de overheveling van een pak bevoegdheden naar de gemeenschappen en de gewesten. De wet maakte hen verantwoordelijk voor de aanwending van hun financiële middelen.
...

De financieringswet dateert van 16 januari 1989 en volgde op de overheveling van een pak bevoegdheden naar de gemeenschappen en de gewesten. De wet maakte hen verantwoordelijk voor de aanwending van hun financiële middelen. De wet moest een einde maken aan de Belgische wafelijzerpolitiek. Geld voor Vlaanderen zou niet langer gepaard moeten gaan met een even groot bedrag voor het zuiden van het land en vice versa. Het was de bedoeling om, na een overgangsperiode van twaalf jaar, de betaalde personenbelasting in elke deelstaat als verdeelsleutel te gebruiken. De politici pasten de wet in 1993 en in 2001 aan. Dat geeft de volgende situatie: de gewesten Vlaanderen, Brussel en Wallonië kunnen zelf twaalf soorten belastingen innen zoals de successie- en registratierechten. Daarnaast beschikken ze over een deel van de personenbelasting die de federatie ophaalt. Noem dat gerust een verkapte dotatie. Ze kunnen die belasting verminderen of verhogen binnen een bepaalde vork, 6,75 % van de personenbelasting. Vlaanderen verminderde de belastingdruk met zijn jobkorting. Er zijn ook de specifieke dotaties aan de gewesten, bijvoorbeeld voor programma's die werklozen aan een baan helpen. Gewesten die het minder goed hebben - Wallonië en Brussel - krijgen daarbovenop een solidariteitsbijdrage van de federatie. De financiering van de Vlaamse en de Franstalige gemeenschap is een heel ingewikkeld kluwen en bestaat zo goed als uitsluitend uit dotaties van de federatie. De grootste van die geldstromen gebeurt via de overdracht van btw-opbrengsten, die aan de economische groei is gekoppeld. De oorspronkelijke financieringswet kreeg terecht het adjectief 'stringent' mee. Het koppelde het budget dat naar de deelstaten ging alleen aan de inflatie. Geen welvaartsvastheid dus. En de deelstaten zouden de tering naar de nering moeten zetten. Een harde dobber voor het zuiden van het land, dat een lange overgangsperiode kreeg om zich aan te passen. De opzet faalde, want vier jaar later moest het communautaire Sint-Michielsakkoord van 1993 de Franstaligen een eerste keer financieel te hulp schieten. Hetzelfde gebeurde in 2001 met het Lambertmontakkoord, maar dan op veel grotere schaal. De deelstaten kregen veel geld voor weinig bevoegdheden. Resultaat: ze zitten er warm bij ten koste van de federatie, die in alle laden naar euro's moet zoeken. De verdeling van het geld zoals die er nu uitziet, maakt dat de federatie het financiële hoofd niet boven water kan houden. De vergrijzing van de bevolking brengt torenhoge kosten voor pensioenen en gezondheidszorg mee. Vooral de federale overheid moet daarvoor opdraaien. Daarentegen zet de financieringswet de deelstaten niet tot betere prestaties aan. Dat moet anders. Een welbegrepen fiscale concurrentie kan daarvoor zorgen. De logica is dat er deze keer veel bevoegdheden en weinig geld van de federatie naar de deelstaten moeten gaan. Alleen is dat zonder de Franstaligen gerekend, die daar helemaal niet van willen weten. Er zal weinig anders op zitten om alweer een lange overgangsperiode in te lassen om ze over de brug te krijgen. En dan is het maar hopen dat de regeling deze keer wel standhoudt. (T)Door Boudewijn Vanpeteghem