Ook bij goed opgeleide managers waart het spook van de werkloosheid. The sky is niet langer the limit. Het gevolg ? Een stressmaatschappij vol conservatieve paradoxen. "Wie het niet maakt, heeft geen excuus. Het is je eigen schuld als je je kansen niet benut."
...

Ook bij goed opgeleide managers waart het spook van de werkloosheid. The sky is niet langer the limit. Het gevolg ? Een stressmaatschappij vol conservatieve paradoxen. "Wie het niet maakt, heeft geen excuus. Het is je eigen schuld als je je kansen niet benut."Wie zijn best doet, kan vooruitkomen. Zo luidt al twee eeuwen lang het motto van de westerse wereld. De Nederlandse journalist Hans Wansink (ex- NRC Handelsblad en Intermediair, nu redacteur bij De Volkskrant) ziet daarin zowel een oproep als een belofte : "Dankzij een ononderbroken economische groei kon deze belofte ook worden ingelost. Er waren voldoende banen om het aanstormende talent uit de lagere klassen op te vangen. Sociale mobiliteit betekende voor vrijwel iedereen sociale stijging. Dat feest is nu definitief voorbij." STRESSMAATSCHAPPIJ.Zelfs de ontreddering uit de jaren zeventig en begin tachtig schafte de opwaartse mobiliteit niet af. De werkloosheid nam weliswaar onrustwekkende proporties aan, maar het motto wankelde niet : een goede opleiding behoedde je doorgaans nog wel om niet in het sociale slop te belanden. Sinds zowel in het bedrijfsleven als bij de overheid ook de witte boorden bij bosjes weggesaneerd worden en de staffuncties draconisch afslanken, is die meritocratische uitweg een hoogst onzekere zaak. Op een akelige manier veranderde het motto in : "Als je je best doet, kùn je vooruitkomen maar je moet wel geluk hebben." De spelregels zijn veranderd : "Je moet vechten om je baan en in je baan. Je moet blijven scoren om je plaats in de maatschappelijke rangorde te consolideren." Met die staalharde en kille, calculerende verhoudingen moeten we nu leren leven. Dat geeft aanleiding tot een stressmaatschappij, waarbij iedereen vooral met zichzelf bezig is. "Wie het niet maakt, heeft geen excuus. Het is je eigen schuld als je je kansen niet benut." Die consequenties analyseerde Wansink twee jaar geleden al in zijn boek De opmars van de stressmaatschappij. De kern : de gevestigde belangen sluiten een pact tegen nieuwkomers. Dat is pas conservatisme. Nu vult hij zijn bevindingen aan met de politieke en maatschappelijke gevolgen van dat onvermijdelijke ellebogenwerk. De arbeidswereld veranderde immers in een verdringingsmarkt. Ogenschijnlijk stuiten we daarbij op tal van paradoxen. De freelance-economie roept een wereld van vrij en ongebonden liberaal gedachtengoed op. De mondige burger komt op voor zichzelf en laat zich niet beteugelen door traditionele banden. Vrijheid blijheid regeert. Maar die schijn doorprikt Wansink nu net. Door de onzekerheid en de stress worden ouderwetse deugden en traditionele verbanden juist wel nieuw leven ingeblazen. ONZEKERHEID.We zijn aanbeland in een maatschappij waar ook de feestvierders zich voortdurend bedreigd weten door de ommekant van de medaille. Blijkbaar beperkt de deregularisering zich niet tot de arbeidsmarkt en de economie, maar ook tot de sociale patronen. Zo ontstaat een kloof die je politiek kan trachten te dichten met linkse of rechtse ideeën. Zowel de echte liberale vrijheid als de linkse illusies trekken daarbij aan het kortste eind, aldus Wansink. Het zijn nu net de conservatieve denkers die zich ontpoppen als de maatschappijcritici van de jaren negentig. Zij slagen er wel in om in te spelen op de onzekerheid van de meerderheid, die vandaag meer te verliezen heeft dan te winnen. Ook over deze denkers en filosofen van het actuele dagelijkse brood zet Wansink een boom op. Door de beperktheid van zijn boek, blijft die voorstelling wat in de knop zitten. Met de politieke invulling van die ideologische scherpslijpers heeft hij het ook moeilijk. Hij gooit bijvoorbeeld Reagan en een Nederlandse ultraliberaal als Frits Bolkestein in dezelfde korf. Nochtans hebben de met overheidsgeld zwaaiende Reagan en de supersaneerder Bolkestein sowieso weinig raakpunten. Ook in hun ethische waardenpatroon verschillen ze haast als dag en nacht. Of bedoelt Wansink gewoon dat het blauwe ideeëngoed nog de enige ideologische sokkel vormt waarop de wereld verder draait sinds de val van de Muur ? Wansink blijft voorzichtig. Steels deelt hij mee dat rond 1890 het algemeen oordeel luidde dat het liberalisme, dat in de 19de eeuw de motor van de vooruitgang was geweest, ongeneeslijk ziek was. Vandaag stelt de schijndode van toen het opperbest, gniffelt hij. Voor het socialisme geeft Wansink nog de boodschap mee dat het zich in elk geval opnieuw rekenschap moet geven van zijn historische relatie tot het liberalisme : "Kenmerk van die verhouding was en is dat liberalen en socialisten beiden hetzelfde willen, namelijk de verheffing van het volk tot mondige staatsburgers. Daarbij vormden ze een perfecte aanvulling op elkaars tekortkomingen."LUC DE DECKER Hans Wansink, De conservatieve golf. Prometheus, 159 blz., 595 fr.