UCL-professor Jogchum Vrielink tweette in 2019 verontwaardigd naar aanleiding van een vonnis in het hoofddoekendebat: "Hoe schandalig deloyaal kan procesgedrag worden, als het zo manifest duidelijk is wat men werkelijk moet doen?" In de fiscale praktijk is dat niet ongewoon en voor de buitenlandse aanvullende pensioenen is het zelfs schering en inslag. En het gaat van kwaad naar erger.
...

UCL-professor Jogchum Vrielink tweette in 2019 verontwaardigd naar aanleiding van een vonnis in het hoofddoekendebat: "Hoe schandalig deloyaal kan procesgedrag worden, als het zo manifest duidelijk is wat men werkelijk moet doen?" In de fiscale praktijk is dat niet ongewoon en voor de buitenlandse aanvullende pensioenen is het zelfs schering en inslag. En het gaat van kwaad naar erger. We moeten terug naar de periode vóór 2004. Alles wat een werknemer krijgt van de werkgever in ruil voor arbeid, is een belastbare bezoldiging. Dus ook de pensioenbijdragen die een werkgever voor zijn werknemer betaalt. De wet op de aanvullende pensioenen heeft dat in 2004 veranderd. Voortaan zouden die bijdragen vrijgesteld zijn van belasting. Maar het verleden blijft wat het was, dat kan niet worden teruggedraaid. Bijdragen van vóór 2004 waren dus belastbaar, ook voor wie toen in het buitenland werkte en er belasting betaalde. Fiscaal betekende dat dat de bijdrage niet langer een werkgeversbijdrage was, maar een persoonlijke bijdrage betaald met privégeld ná belasting. Het principe van de communicerende vaten houdt in dat als iets wordt opgebouwd zonder fiscaal voordeel, de uitkering belastingvrij is. Concreet: het aanvullend pensioen opgebouwd in het buitenland vóór 2004 heeft geen fiscaal voordeel genoten in België en moet dus nu in België worden vrijgesteld van belastingen. Het Hof van Cassatie heeft dat in 2002 voor het eerst met zoveel woorden bevestigd. Een loyale overheid zou dan de gevolgen moeten aanvaarden. Niet hier natuurlijk. Bijna twintig jaar later zijn er nagenoeg iedere week nog rechterlijke uitspraken nodig om dat af te dwingen, op kosten van al die belastingplichtigen. Hallucinant, ook de wijze waarop. De fiscus weert zich als een duivel in een wijwatervat met argumenten die zelfs volgens zijn ambtenaren geen steek houden. Ambtenaren verklaren in de wandelgangen van het justitiepaleis dat de belastingplichtigen gelijk hebben, maar dat ze moeten blijven procederen in opdracht van hun hiërarchische overste. Moedige ambtenaren verklaren dat zelfs publiek voor de rechter in hun pleidooi. Het Hof van Cassatie en de advocaat-generaal hebben de fiscus ondertussen al vier keer moeten terechtwijzen, maar dat brengt nog altijd geen zoden aan de dijk. De jongste maanden gaat de overheid nog twee stappen verder. Vorig jaar riep de minister van Financiën voor het hof van beroep van Gent in dat zijn eigen wet de grondwet schendt en dat het Grondwettelijk Hof dat zou moeten bevestigen. Het is ver gekomen: de wetgever zelf zegt dat hij niet goed heeft gewerkt. Het hof heeft de overheid terecht wandelen gestuurd. En wat is de reactie van de minister? We gaan datzelfde argument nog eens opwerpen, maar dan nu voor het hof van beroep van Antwerpen, wie weet. Schande. Geruchten doen de ronde dat men ook overweegt met een interpretatieve wet de geschiedenis te herschrijven. Het is een raadsel hoe men dat gaat doen, hoe men een wet van 2004 met terugwerkende kracht gaat interpreteren om te zeggen dat het vóór 2004 anders was. Dat is de rechtsstaat onwaardig. De mijnwerkers kregen geen interpretatieve wet om een manifeste berekeningsfout van de overheid over hun pensioenen te corrigeren. Maar als de overheid te weinig belastingen int, komt een interpretatieve wet vlotjes aan bod. Er wordt veel gesproken over een nakende belastinghervorming. Een verlies erkennen, dat zou pas een hervorming zijn. En daarvoor is geen zware studieronde of nieuwe wetgeving vereist. Als de overheid verklaart dat ze af wil van het traditionele conflictmodel tussen fiscus en belastingplichtige en plaats wil maken voor een consensusmodel, dan zal ze uit een ander vaatje moeten tappen.