Het Nederlandse model.
...

Het Nederlandse model.In de wetenschappelijke wereld is de aanwending van de evidentie of het gezond verstand onvoldoende. Een stelling moet cijfermatig worden bewezen. Dat trachtte gouverneur Alfons Verplaetse van de Nationale Bank door de ontwikkeling van het loonpeil te relateren aan de evolutie van het arbeidsvolume en de overeenkomstige werkgelegenheid tussen België en de drie buurlanden Nederland, Duitsland en Frankrijk. De linkergedeelte van de tabel Ontwikkeling van de gesalarieerde werkgelegenheid geeft een beeld van de periode '87-'96 ; in het midden- en rechtergedeelte van deze tabel wordt de ontwikkeling opgedeeld in de periode '87-'93 en de periode '93-'96. De reden voor deze opdeling is dat in de periode '93-'96 de lonen in ons land, onder invloed van de loonblokkering door de regering, tegengesteld verliep aan die van de eerste periode. Uit deze tabel blijkt duidelijk dat er een vaste correlatie bestaat tussen de ontwikkeling van het loonpeil en het arbeidsvolume. In België steeg dat loonpeil in de eerste periode met 5,2 % in vaste prijzen ; bij de buurlanden bedroeg de toename slechts 4,2 %. Als gevolg daarvan steeg het arbeidsvolume in ons land slechts met 0,3 %, terwijl het bij onze buurlanden met 0,9 % toenam ; één procent minder loonkosten zou bijgevolg een half procent arbeidsvolume genereren.De cijfers voor de tweede periode zijn nog niet volledig beschikbaar, zodat deels met ramingen moest worden gewerkt. Daaruit blijkt alvast dat de Belgische lonen in deze periode met 0,9 % minder stegen dan bij de buren. Meteen manifesteerde zich in vergelijking met de buurlanden een minder ongunstige ontwikkeling inzake arbeidsvolume. Iets wat zich uiteraard ook in werkgelegenheid vertaalt.Ook veranderingen in de banenstructuur hebben een gunstig effect op de werkgelegenheid. Zo zorgt flexibiliteit op het gebied van deeltijdarbeid voor een toename van de werkgelegenheid berekend in voltijdse banen. In ons land steeg de impact van deeltijdarbeid in de gegeven periode van 11 % tot 14,6 % en bij de buren van 13,9 % tot 18,1 %.Echt wetenschappelijke waarde heeft deze stelling niet. Wetenschappers zeggen dat dergelijke conclusies alleen kunnen worden getrokken als alle andere relevante omstandigheden gelijk blijven. En zoiets is niet aantoonbaar. Maar de tendens die uit deze statistische gegevens naar voren komt, is zo uitgesproken dat ze nauwelijks te weerleggen valt.Het is trouwens tekenend voor ons land dat de overheid in de voorbije twintig jaar al drie keer is moeten tussenkomen om bij wet een loonmaatregel op te leggen, telkens na een ontsporing van de lonen. Dat gebeurde ofwel om de inflatie in te dijken, ofwel om de werkgelegenheid te beschermen. In diezelfde twintig jaar stond de loonontwikkeling gedurende negen jaar onder overheidscuratele omdat de sociale partners niet zelf tot een overeenkomst konden komen die hetzelfde resultaat zou hebben opgeleverd.Moeten deze ontsporingen worden toegeschreven aan het systeem van de automatische aanpassing van de lonen aan de prijzenindex, dat de buren niet toepassen ? Ligt de oorzaak bij het opbod tussen verzuilde vakbonden, wat in Duitsland en in Nederland niet (langer) bestaat, of moet de oorzaak worden gezocht bij de minder gedisciplineerde Romaanse arbeidscultuur van Wallonië ?Volgens een recente studie van het Vlaams Economisch Verbond (VEV) over de periode 1980-1994 zijn de cijfers inzake BBP-groei en werkgelegenheid voor Vlaanderen alleen alvast heel wat beter dan de Belgische indicatoren. Inzake BBP-groei evenaart Vlaanderen de Nederlanders nagenoeg (132,3 % tegen 133,3 %), maar inzake tewerkstelling blijft ook Vlaanderen (106,1 % tegen 113.9 %) duidelijk achter bij de noorderburen. Dat is vooral toe te schrijven aan een stagnatie van de tewerkstelling in Vlaanderen sedert 1990. Voor België in zijn geheel bedraagt die werkgelegenheidsindicator van de VEV-studie slechts 99,5, zodat de cijfers van Wallonië een zeer nefaste invloed uitoefenen op de Belgische prestaties. Bij de vergelijkende gegevens van gouverneur Verplaetse over België en de drie buurlanden dient overigens gezegd dat de Nederlandse prestaties de gemiddelde cijfers van de drie buurlanden in aanzienlijke mate overtreffen. De geciteerde cijfers van de buurlanden worden immers in sterk negatieve zin beïnvloed door de verzwakking van de West-Duitse prestaties na de hereniging met het economisch zwakke Oost-Duitsland. Tot dan vertoonden de cijfers van West-Duitsland een weliswaar lager, maar toch gelijklopend patroon met die van Nederland. Hoe de cijfers inzake loonkostenontwikkeling en werkgelegenheid er per land uitzien, blijkt trouwens uit de grafiek Loonkosten en gesalarieerde werkgelegenheid in de ondernemingen.