Voormalig Groen!-politicus Luckas Vander Taelen is een man met een opinie, meerdere zelfs, die hij via zijn columns in onder meer Knack vurig verspreidt. Velen smaken zijn openhartigheid; anderen ervaren het eerder als een inconvenient truth. De onderwerpen die hij in dit boek aansnijdt zullen de regelmatige lezer van dit manusje-van-alles bekend in de oren klinken. Het Brusselse wanbestuur, de islam als bedreiging voor de seculiere samenleving, de corruptie va...

Voormalig Groen!-politicus Luckas Vander Taelen is een man met een opinie, meerdere zelfs, die hij via zijn columns in onder meer Knack vurig verspreidt. Velen smaken zijn openhartigheid; anderen ervaren het eerder als een inconvenient truth. De onderwerpen die hij in dit boek aansnijdt zullen de regelmatige lezer van dit manusje-van-alles bekend in de oren klinken. Het Brusselse wanbestuur, de islam als bedreiging voor de seculiere samenleving, de corruptie van de PS, noem maar op. Ook het wegkijken van links wordt keurig gefileerd. Want dat heeft hij aan den lijve ondervonden. Als een onafhankelijke columnist kun je er met de botte bijl door, als groene politicus is dat een gevaarlijke zaak. Zeker als je moet samenwerken met de Franstalige evenknie Ecolo. De Brusselse machtsverhoudingen op gemeentelijk vlak zijn wat ze zijn. Als Nederlandstalige kandidaat 'samen' met Franstaligen opkomen, betekent vooral dat men bij gratie van die laatste een plek op de lijst krijgt. Niet Vander Taelen, want die raakte uit de gratie. Het zou verkeerd zijn Vander Taelens boek als een amalgaam van ergernissen af te doen. De frustraties zijn er, dat ontkent hij niet. Toch zit er hoop in zijn kijk op de dingen. Op zijn achttiende verruilde Vander Taelen zijn geboorteplaats Aalst voor Brussel. In drie decennia is veel veranderd, zeker taalkundig. Het Brussel van toen was een stad met Frans- en Nederlandstaligen. De Franstalige groep was dominant en voelde zich ook zo, en ze liet het niet na dat te tonen. Van tweetalig evolueerde onze hoofdstad naar meertalig. De maatschappelijke status van de taal van Vondel nam ook toe. In minder dan de helft van de gezinnen is Frans nog de huistaal. Het is een realiteit, onderstreept Vander Taelen, die de Franstaligen maar niet willen vatten. Hij hekelt een te prominent aanwezig archaïsme bij de Franstalige politieke klasse. Maar kan men daar tegelijkertijd geen Vlaamse naïviteit aan koppelen? Het verhaal van de stad als lappendeken van minderheden gaat er in een bepaalde progressieve hoek vlotjes in. Men kijkt graag naar die huistaal, maar met geen woord wordt gerept over het feit dat die taalkundige mozaïek de plaats van het Frans als lingua franca versterkt. Hoe speel je daar als Vlaamse gemeenschap op in? Misschien een idee voor een volgend boek? MICHAËL VANDAMME