In de voorbije maanden is nogal wat commotie ontstaan over de plannen van de regering om de aansprakelijkheid van vennootschapsmandatarissen op fiscaal gebied aanzienlijk te verhogen. Die plannen zijn inmiddels gerealiseerd. Het resultaat staat te lezen in de programmawet van 20 juli 2006 die acht dagen later in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd. De nieuwe regeling is de dag zelf van haar publicatie - dus op 28 juli 2006 - in werking getreden.
...

In de voorbije maanden is nogal wat commotie ontstaan over de plannen van de regering om de aansprakelijkheid van vennootschapsmandatarissen op fiscaal gebied aanzienlijk te verhogen. Die plannen zijn inmiddels gerealiseerd. Het resultaat staat te lezen in de programmawet van 20 juli 2006 die acht dagen later in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd. De nieuwe regeling is de dag zelf van haar publicatie - dus op 28 juli 2006 - in werking getreden. Zij houdt in dat bestuurders van vennootschappen onder bepaalde voorwaarden hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de betaling van de bedrijfsvoorheffing die hun vennootschap aan de schatkist is verschuldigd. Die aansprakelijkheid zal meer bepaald bestaan wanneer de vennootschap tekort komt in haar betalingsverplichting, en wanneer deze tekortkoming te wijten is aan een 'fout' die de bestuurders hebben begaan bij het besturen van hun vennootschap. Ook bestuurders van vzw's zijn geviseerd. Maar de wetgever heeft de regeling wel beperkt tot bestuurders van grotere vzw's, meer bepaald de vzw's die wettelijk verplicht zijn hun boekhouding overeenkomstig de boekhoudwetgeving te voeren. De hoofdelijke aansprakelijkheid geldt in eerste instantie alleen voor de bestuurders die belast zijn met de dagelijkse leiding van de vennootschap (of vzw). Maar zij kan in tweede instantie worden uitgebreid tot de andere bestuurders. Meer bepaald wanneer kan worden aangetoond dat ze een fout hebben gemaakt die heeft bijgedragen tot de tekortkoming (de niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing). Rechtspraak. Tot hier is deze regeling niet echt nieuw. Zij geldt immers alleen als de bestuurders een gemeenrechtelijke fout kan worden aangewreven. Ook vroeger konden bestuurders al worden aangesproken wanneer men kon aantonen dat het niet-betalen van de bedrijfsvoorheffing te wijten was aan gemeenrechtelijke fouten die de bestuurders hadden begaan, en dat er een oorzakelijk verband bestond tussen de fout en de schade (de niet-betaalde bedrijfsvoorheffing). Weliswaar is in de rechtspraak bij herhaling beslist dat alleen de vennootschap - en niet haar bestuurders - schuldenaar is van de bedrijfsvoorheffing. En dat de bestuurders dus niet zonder meer kunnen worden aangesproken wegens het enkele feit dat de vennootschap de bedrijfsvoorheffing niet heeft doorgestort. Maar tegelijk is ook al bij herhaling beslist dat bestuurders - zoals alle burgers - overeenkomstig het gemeen recht burgerlijk aansprakelijk zijn voor de schade die zij aanrichten wanneer zij tekortschieten in het nakomen van hun algemene zorgvuldigheidsverplichting. Ook als die schade bestaat in het niet-doorstorten van de bedrijfsvoorheffing. De nieuwe wettelijke regeling doet eigenlijk niet veel meer dan deze algemene regeling specifiek ten behoeve van vennootschapsmandatarissen nog eens extra in de verf te zetten. Vermoeden. Maar tegelijk gaat zij een stap verder. Zij voert namelijk - en dat is volledig nieuw - onder bepaalde voorwaarden een weerlegbaar vermoeden van fout in. De burgerlijke aansprakelijkheid die de programmawet ten aanzien van vennootschapsmandatarissen bevestigt, geldt wanneer de bestuurders - in eerste instantie, de bestuurders die met het dagelijks bestuur belast zijn - een gemeenrechtelijke fout begaan in het besturen van de vennootschap (of vzw) en die fout de niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing tot gevolg heeft. Nieuw is dat deze fout voortaan in hoofde van de bestuurders die met het dagelijks bestuur belast zijn, vermoed wordt begaan te zijn wanneer de vennootschap (of vzw) de bedrijfsvoorheffing bij herhaling niet betaalt. Het vermoeden is weerlegbaar. Dit wil zeggen dat de vermeende fout toch geen burgerlijke aansprakelijkheid tot gevolg heeft als de betrokken bestuurder kan aantonen dat hij geen fout heeft begaan, of dat de fout niet tot gevolg heeft gehad dat de vennootschap (of vzw) de bedrijfsvoorheffing niet heeft betaald. Maar het probleem is natuurlijk dat de bewijslast hiermee wordt omgekeerd: niet de fiscus moet de fout bewijzen (die wordt nu wettelijk vermoed), maar het is aan de bestuurder(s) om het tegendeel aan te tonen. De wetgever heeft ook gepreciseerd vanaf wanneer er sprake is van een herhaalde niet-betaling. Dit is het geval als de vennootschap (of vzw) binnen een periode van een jaar driemaal de bedrijfsvoorheffing niet betaalt (vennootschappen of vzw's die de bedrijfsvoorheffing per kwartaal moeten betalen, moeten minstens twee keer binnen het jaar in gebreke blijven). Toekomst. Eén troost. De nieuwe regeling geldt, zoals gezegd, sinds 28 juli van dit jaar. Maar zij geldt alleen voor de toekomst. Vooraleer het voormelde vermoeden kan spelen, moet men derhalve in de toekomst minstens drie keer binnen het jaar (voor kwartaalbetalers twee keer) in de fout gaan. Tekortkomingen uit het verleden tellen niet mee. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Jan Van Dyck