Vorige week vrijdag gaf premier Guy Verhofstadt (VLD) aan de top van het Verbond van Belgische Ondernemingen ( VBO) tekst en uitleg bij het sociaal-economische beleid van zijn regering. Verhofstadts drie krachtlijnen om tot een actieve welvaartsstaat te komen, zijn: een verhoging van de participatiegraad voor werknemers, een vermindering van de fiscale druk op arbeid, en een verbetering van het algemeen ondernemingsklimaat.
...

Vorige week vrijdag gaf premier Guy Verhofstadt (VLD) aan de top van het Verbond van Belgische Ondernemingen ( VBO) tekst en uitleg bij het sociaal-economische beleid van zijn regering. Verhofstadts drie krachtlijnen om tot een actieve welvaartsstaat te komen, zijn: een verhoging van de participatiegraad voor werknemers, een vermindering van de fiscale druk op arbeid, en een verbetering van het algemeen ondernemingsklimaat. "Het gaat de goede richting uit met de paars-groene regering," zegt Dirk Hudig, secretaris-generaal van de Europese werkgeversorganisatie Unice. "Het kabinet speelt in op de algemene trend van een lastenverlaging voor het bedrijfsleven en een verhoging van de koopkracht voor de gezinnen. Zweden en Nederland geven het goede voorbeeld. Deze landen zullen hun belastingen volgend jaar met respectievelijk 1,81 miljard en 454 miljoen euro verlagen." TRENDS. De regering belooft tegen het tweede kwartaal van 2000 de belasting op arbeid met gemiddeld 32.000 frank per werknemer en per jaar te verlagen. Is dat voldoende? DIRK HUDIG (UNICE). Als Europese belangenvereniging spreken we ons alleen uit over het algemeen beleid en niet over concrete regeringsmaatregelen. Dat is het domein van onze leden. Toch juichen we de gezonde kijk van het Belgische kabinet toe. Verhofstadt heeft een coherente visie uitgewerkt, vertrekkend vanuit de feiten. Jammer genoeg wacht hij tot 2001 om een fiscale hervorming door te voeren. Wij zijn voorstander van kleine, geleidelijke maatregelen. Zo vermijd je dat de achterstand met de andere lidstaten te groot wordt. Bovendien is één grote sprong voorwaarts - gezien de complexiteit van de Belgische politiek - moeilijker haalbaar. In ieder geval ligt de fiscale en parafiscale druk in België veel te hoog: 46,5% van het bruto binnenlands product (BBP). Alleen in Zweden, Denemarken en Finland ligt dit percentage nóg hoger. Bovendien plukt de gemiddelde Belg elk jaar pas vanaf 29 augustus de vruchten van zijn arbeid. Tot die dag werkt hij alleen voor de belastingen en de sociale zekerheid. Hiermee overtreft België alle andere landen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso). Ook inzake marginale belastingdruk staat België op nummer één: 74,5% (inclusief heffingen op goederen en diensten). Gemiddeld houdt de Belgische werknemer amper 25 frank over op elke loonsverhoging van 100 frank. Zo demotiveer je iedereen en ondermijn je de competitiviteit van 's lands economie. Hoe staat u tegenover de idee van vice-premier Laurette Onkelinx (PS) om de bedrijven te verplichten per groep van 25 werknemers één jongere in dienst te nemen? Als je alle arbeidskwesties door middel van decreten zou kunnen oplossen, was dit al lang gebeurd. Maar zo werkt de vrijemarkteconomie niet. Regeringen doen er wel goed aan incentives te scheppen om het algemene ondernemingsklimaat te verbeteren. Daarnaast moet het kabinet-Verhofstadt dringend de dichtgetimmerde arbeidsmarkt in België hervormen. Vandaag gaan alle bedrijven gebukt onder een loodzware bureaucratie. Deze administratieve rompslomp fnuikt de flexibiliteit van de ondernemingen. Aangezien de nieuwe jobs in België vooral worden gecreëerd in de kmo's en de dienstensector - waar de verplichtingen en lasten relatief gezien nog zwaarder wegen - is dit nefast voor de werkgelegenheid van het land. Ook een one-stop-shop voor beginnende ondernemingen, waar ze met al hun vragen en verplichtingen terecht kunnen, lijkt me zinvol. In België worden veel te weinig nieuwe bedrijven opgericht: 7,2% tegenover 13,2% in Groot-Brittannië. Dat komt omdat hier de kosten en de verplichtingen veel te zwaar zijn. Gelukkig wil de regering het overaanbod van wetten en reglementen reduceren en wordt er gewerkt aan een strategisch plan om de administratieve lasten voor burgers en ondernemingen met 25% te verminderen, waarvan telkens 10% in de eerstvolgende twee jaar. Begin september noemde Pieter Timmermans, directeur-generaal van het VBO, de lage tewerkstellingsgraad de belangrijkste hinderpaal voor de realisatie van het regeerakkoord. Met een tewerkstellingsgraad van 57,3% bengelt België aan de staart van het Europees peloton. De drie belangrijkste handelspartners scoren gemiddeld 61,7%. De Verenigde Staten halen zelfs 74%. Concreet betekent dit naar schatting een verschil van 34 miljoen jobs. De sociaal-economische gevolgen van deze handicap zijn nauwelijks te becijferen. Dat blijkt vooral uit het lot van de 55-plussers: van die bevolkingsgroep werkt amper 22%, een ontwikkeling die de sociale zekerheid handenvol geld kost. Bovendien verliest het land een schat aan kennis, ervaring en inzet.U bent dus voorstander van een stimulering van de aanbodzijde?Ja, op voorwaarde dat de inflatie in bedwang wordt gehouden. Maar deze discussie leeft jammer genoeg niet in België. Nochtans zien wij heel wat opportuniteiten. Zo blijkt uit ons benchmark-rapport 1999 dat het aantal gsm's en Internet-aansluitingen in België, in vergelijking met andere Europese lidstaten en de Verenigde Staten, relatief laag ligt. Dit heeft gevolgen voor de werkgelegenheid. Wij evolueren immers naar een informatiesamenleving. De groei van de arbeidsmarkt situeert zich vooral in de dienstensector. Met 40% jobs in dit segment loopt België duidelijk achter op de andere West-Europese landen, die gemiddeld 66% halen. In haar recente nota over het sociaal beleid doet de Europese Commissie een aantal concrete aanbevelingen aan de lidstaten. Is dat wel haar rol? Het is positief dat de Europese Unie internationale vergelijkingen maakt. Elke regering kan leren uit de ervaringen van andere. Je kunt echter geen uniforme formule opleggen. Elk land heeft een specifieke cultuur en eigenheid. Zo participeren de Scandinavische vrouwen veel meer in het arbeidsproces dan vrouwen in het meer traditionele Spanje. Daaraan moet het beleid zich aanpassen. En dat is ook de reden waarom wij tegen het invoeren van nieuwe, algemene richtlijnen zijn. We staan wél achter de idee dat de lidstaten onderling ervaringen uitwisselen. Op dit vlak heeft de Europese Unie een belangrijke rol te vervullen.ERIC POMPEN