Polen goedkoper dan Tunesië
...

Polen goedkoper dan TunesiëNauwelijks vier procent van de totale import van de Europese Unie is afkomstig uit Centraal- en Oost-Europa. In het onlangs verschenen Oost-Europa in Europa valt dit frappant lage cijfer sterk op. Co-auteur Christian Hocepied, die liet afdrukken dat hij zijn bijdrage in eigen naam schreef en niet in zijn hoedanigheid als administrateur bij de Europese Commissie, concludeert dan ook : "Toen de Europese Raad van 8 en 9 december 1989 in Straatsburg besloot associatiebetrekkingen aan te knopen met de landen van Centraal- en Oost-Europa die een proces van politieke en economische hervormingen op gang hadden gebracht, speelden veeleer politieke dan louter economische motieven." Als belangrijkste doelstelling werd de politieke stabiliteit van de nieuwbakken democratieën vooropgesteld, dixit Hocepied. Wellicht wilden de West-Europeanen een migratiestroom vanuit deze landen voorkomen. Dat beleid wordt "bewerkstelligd door enerzijds de invoer uit die landen naar West-Europa te vergemakkelijken en anderzijds de investeringen in die landen aan te moedigen, door via die akkoorden de nieuwe democratieën te binden aan de principes van open-marktgerichte economieën."Hocepied zet zijn standpunten uiteen in een hoofdstuk over de uitvoer van de Europese mededingingsregels naar Centraal- en Oost-Europa. Zijn bijdrage maakt op haar beurt deel uit van Oost-Europa in Europa Eenheid en verscheidenheid. Welgeteld 19 auteurs, onder wie Maurits Coppieters en Katlijn Malfliet, beantwoorden vanuit evenveel invalshoeken de vraag in welke mate Oost-Europa in Europa thuishoort. Tevens gaan ze na welke aspecten van eenheid en verscheidenheid het nieuwe Europese landschap bepalen. De aanleiding tot deze uitgave kwam er met het emeritaat van professor Frits Gorlé, een jurist die later doctoreerde in de Slavische filologie en geschiedenis aan de ULB. Hij is één van de grondleggers van het Interuniversitair Centrum voor Oost-Europakunde. Al meer dan tien jaar verenigt dit centrum specialisten van de verschillende Vlaamse universiteiten en hogescholen, diplomaten, ambtenaren en andere geïnteresseerden. Het zwaaien met integratieplannen en het afbouwen van handelsbelemmeringen staan keurig, maar de auteurs ontlopen ook de valkuilen ervan niet. Vooral Hocepied moet daarmee rekening houden vanuit zijn economisch perspectief. Het opdoeken van obstakels kan immers de delokalisatie van investeringen aanmoedigen. Zelfs in Polen, dat hoegenaamd niet het goedkoopste lonenland is, liggen de arbeidskosten nog lager dan in Tunesië. De globale loonkost vormt niet eens het enige lokaas om bedrijven over de Oder te lokken. De minder stringente arbeidswetgeving en in steeds belangrijker mate ook de slappe of niet afgedwongen milieuvoorschriften vervullen een hoofdrol in het delokalisatieproces.Naast de economische impact besteden de auteurs vooral aandacht aan de (geo-)politieke consequenties. Ook enkele maatschappelijke thema's zoals het onderwijs komen ter sprake. Voor wie een (zeer) ruime achtergrondinfo zoekt over de Europese integratieproblematiek, is de lectuur niet te versmaden. Het werk blijft echter te heterogeen om een groot enthousiasme los te weken.LDD Pieter De Meyer (e.a.), Oost-Europa in Europa. VUB-Press, 368 blz., 1150 fr.