Zoals vorige week al gemeld, voert de recente programmawet een bijzondere aansprakelijkheidsregeling in voor bestuurders van vennootschappen en grotere vzw's. De regeling beoogt het geval waarin een vennootschap (of vzw) tekort komt in haar verplichting om de bedrijfsvoorheffing door te storten naar de schatkist. De bestuurders die belast zijn met de dagelijkse leiding kunnen dan hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor het betalen van de bedrijfsvoorheffing. Op voorwaarde dat de tekortkoming te wijten is aan een gemeenrechtelijke fout die zij hebben begaan bij het besturen van de vennootschap of vzw. Ook de andere bestuurders kunnen aansprakelijk worden gesteld. Zodra is aangetoond dat zij fouten gemaakt hebben die hebben bijgedragen tot de tekortkoming.
...

Zoals vorige week al gemeld, voert de recente programmawet een bijzondere aansprakelijkheidsregeling in voor bestuurders van vennootschappen en grotere vzw's. De regeling beoogt het geval waarin een vennootschap (of vzw) tekort komt in haar verplichting om de bedrijfsvoorheffing door te storten naar de schatkist. De bestuurders die belast zijn met de dagelijkse leiding kunnen dan hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor het betalen van de bedrijfsvoorheffing. Op voorwaarde dat de tekortkoming te wijten is aan een gemeenrechtelijke fout die zij hebben begaan bij het besturen van de vennootschap of vzw. Ook de andere bestuurders kunnen aansprakelijk worden gesteld. Zodra is aangetoond dat zij fouten gemaakt hebben die hebben bijgedragen tot de tekortkoming. De grote nieuwigheid is dat de fout in hoofde van de dagelijkse bestuurders in sommige gevallen vermoed wordt te bestaan. Dit is meer bepaald het geval wanneer de niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing bij herhaling voorkomt. Bij herhaling wil zeggen dat de vennootschap (of vzw) in een periode van een jaar minstens drie keer in gebreke blijft de bedrijfsvoorheffing te betalen (voor vennootschappen en vzw's die de bedrijfsvoorheffing niet per maand, maar slechts per kwartaal moeten betalen, ligt de grens op minstens twee keer niet-betalen binnen een periode van een jaar). Het vermoeden van fout speelt niet als de niet-betaling het gevolg is van financiële moeilijkheden die aanleiding hebben gegeven tot het openen van de procedure van gerechtelijk akkoord, van faillissement of van gerechtelijke ontbinding. Procedure. De fiscus kan de bestuurders overigens niet zonder meer aanspreken. Hij moet daarvoor een beroep doen op de rechtbank. Het is de rechtbank die zal uitmaken of de wettelijke voorwaarden zijn vervuld. Om te vermijden dat bestuurders als het ware 'overvallen' zouden worden met dagvaardingen voor de rechtbank, heeft de wetgever overigens nog in een soort 'afkoelingsperiode' voorzien. Vooraleer de fiscus een rechtsvordering kan inleiden bij de rechtbank, moet de belastingontvanger een kennisgeving sturen naar de betrokken bestuurder(s). Dat moet gebeuren via een aangetekende brief. In die kennisgeving moeten de betrokken bestuurders worden verzocht de nodige maatregelen te treffen om de tekortkoming te verhelpen of aan te tonen dat deze niet het gevolg is van een door hen begane fout. Het vermoeden van fout in hoofde van de bestuurders die met de dagelijkse leiding van de vennootschap (of vzw) belast zijn, is immers weerlegbaar. De kennisgeving moet de rechtsvordering minstens één maand voorafgaan. Btw. Belangrijk om weten is dat de nieuwe regeling niet beperkt is tot de bedrijfsvoorheffing. De programmawet voorziet in een identieke regeling op het gebied van de btw. De situatie die hier is bedoeld, betreft dus vennootschappen en grotere vzw's die tekort komen in hun verplichting om de btw te betalen die zij aan de schatkist zijn verschuldigd. Ook hier wordt gewerkt met een trapsgewijze aansprakelijkheid. In eerste instantie kijkt men naar de bestuurders die belast zijn met de dagelijkse leiding van de vennootschap (of de vzw). Zij worden hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van de btw als zij bij het besturen van de vennootschap (of vzw) gemeenrechtelijke fouten hebben begaan die tot gevolg hebben dat de vennootschap (of vzw) de btw niet heeft betaald. In tweede instantie kunnen ook de andere bestuurders worden aangesproken. Meer bepaald wanneer hen fouten kunnen worden aangewreven die hebben bijgedragen tot de tekortkoming (de niet-betaling van de btw). En ook hier geldt in hoofde van de dagelijkse bestuurders, bij herhaalde niet-betaling, een weerlegbaar vermoeden van fout. Dat vermoeden speelt zodra de vennootschap (of vzw) in een periode van een jaar ten minste drie eisbare schulden inzake btw niet heeft betaald. Gaat het om een vennootschap of vzw die slechts per kwartaal een btw-aangifte moet indienen, dan speelt het vermoeden als er binnen het jaar ten minste twee tekortkomingen zijn. Voor het overige gelden ook dezelfde voorwaarden en procedures. Ook op het gebied van de btw is dus een interventie van de rechtbank vereist, en kan een rechtsvordering pas worden ingeleid na het eerbiedigen van een afkoelingsperiode (zie hoger). Beoordeling. De twee regelingen - inzake bedrijfsvoorheffing en btw - zijn identiek. Maar ze bestaan wel naast elkaar. De toepassingsvoorwaarden moeten dus in elke regeling afzonderlijk worden beoordeeld. Een niet-betaling van btw mag dus niet worden opgeteld bij een niet-betaling van bedrijfsvoorheffing om te beoordelen of het vermoeden van schuld eventueel speelt. Voor het vermoeden van schuld inzake bedrijfsvoorheffing, komen alleen tekortkomingen inzake bedrijfsvoorheffing in aanmerking. Omgekeerd geldt hetzelfde op het gebied van de btw. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Jan Van Dyck