1Een zwakke productiviteitsgroei hypothekeert de potentiële economische groei

België heeft een werkzaamheidsgraad van 61,6 procent, een stuk lager dan het Europese gemiddelde (64,6 %). Meer mensen aan het werk helpen, moet het Belgische groeipotentieel versterken. Maar cijfers van de Nationale Bank tonen aan dat de groei van het arbeidsvolume in België al jaren maar een beperkte bijdrage levert tot de poten-tiële productie. Die trend kan niet in een handomdraai gekeerd worden. De situatie is beter dan in de jaren tachtig, maar het is toch vooral de groei van de kapitaalvoorraad en de productiviteit die voor de groei heeft gezorgd. Hoe kan België weer aansluiting vinden bij landen met een sterke productiviteitsgroei?
...

België heeft een werkzaamheidsgraad van 61,6 procent, een stuk lager dan het Europese gemiddelde (64,6 %). Meer mensen aan het werk helpen, moet het Belgische groeipotentieel versterken. Maar cijfers van de Nationale Bank tonen aan dat de groei van het arbeidsvolume in België al jaren maar een beperkte bijdrage levert tot de poten-tiële productie. Die trend kan niet in een handomdraai gekeerd worden. De situatie is beter dan in de jaren tachtig, maar het is toch vooral de groei van de kapitaalvoorraad en de productiviteit die voor de groei heeft gezorgd. Hoe kan België weer aansluiting vinden bij landen met een sterke productiviteitsgroei? Pieter Timmermans, directeur bij het Verbond van Belgische ondernemingen (VBO), stelt vast dat we onvoldoende in staat zijn om investeringen in onderzoek en ontwikkeling (O&O) te vertalen in een sterke productiviteitsgroei. Maar hij verwerpt de vaak gehoorde kritiek dat Belgische bedrijven te weinig investeren in O&O en zo te weinig inzetten op innovatie en dus een sterkere groei. Volgens Timmermans klopt dat niet, want Nederland investeert minder in O&O dan België (1,63 % tegenover 1,92 %) en kent wel een sterkere productiviteitsgroei. Bedrijven kunnen blijven automatiseren, maar op een bepaald moment bereiken ze hun technologische grens. De oplossingen moeten elders worden gezocht, redeneren de werkgevers. De liberalisering van bepaalde (product)markten kan ook de productiviteit verhogen. Dat is gebeurd met de dienstensector. Het aanbieden van die diensten in het buitenland zorgt voor schaalvoordelen en productiviteitswinsten. Maar het gaat hier wel om een Europese aanpak die alle landen ten goede komt. Wat nationaal wel mogelijk is, zijn extra investeringen in opleiding en onderwijs. Scholing zorgt voor een hogere productiviteit. Een toename van de opleiding met één extra jaar duwt de productiviteit minstens 5 procent hoger. Hoger en beter opgeleiden stimuleren innovatie, trekken buitenlandse investeerders aan en brengen de werkgelegenheid in een positieve spiraal. Ook innovatieve arbeidsorganisaties (slimmer werken) kunnen de productiviteit verhogen. Lange tijd argumenteerden de vakbonden dat de hoge Belgische loonkosten geen probleem hoefden te zijn. Tegenover die loonkosten stonden zeer productieve werknemers. Maar rapporten van de Nationale Bank en het Planbureau hebben deze analyse op losse schroeven gezet. De Belgische loonkostenhandicap is meer en meer te verklaren door een tragere productiviteitsgroei dan in onze buurlanden. De Belgische loonkostenhandicap per uur ten opzichte van onze buurlanden komt in de buurt van 4 procent, maar als we de loonkostenhandicap corrigeren voor productiviteit, bedraagt die 9 procent. Onze productiviteit is sinds 1996 cumulatief trager gegroeid dan in onze buurlanden. Het is dus niet zozeer de relatief snelle groei van het uurloon, maar veeleer de relatief zwakke groei van de arbeidsproductiviteit die aan de basis ligt van de relatieve achteruitgang van de Belgische arbeidskosten per eenheid product. Bovendien heeft onderzoek van de Leuvense economen Konings en Abraham aangetoond dat het niet voldoende is dat de loonkosten even snel stijgen als de productiviteitstoename. "Ruwweg gezegd verdwijnt de expansie van de industriële tewerkstelling als meer dan een kwart van de productiviteitsverbetering besteed wordt aan de toename van de loonkosten", stellen Abraham en Konings. Om echt jobs te creëren, moet de productiviteit sneller stijgen dan de lonen. De Leuvense economen komen tot de conclusie dat "in de Belgische industrie een stijging van de productiviteit met 10 procent resulteert in 1,2 procent meer jobs op voorwaarde dat de loonkosten niet stijgen". Elk jaar brengt de Studiecommissie voor de Vergrijzing een rapport uit over de vergrijzingskosten. Steevast moet de Commissie toegeven dat die hoger zullen uitvallen dan verwacht. Begin deze maand voorspelde de Commissie dat de meerkosten van de vergrijzing zullen stijgen tot 6,3 procent van het bbp tegen 2060. Daarbij gaat de Commissie uit van een productiviteitsgroei van 1,5 procent. Maar met een productiviteitsgroei van 1,25 procent (realistischer volgens de voorspellingen van het Planbureau) lopen de meerkosten op tot 7,5 procent van het bbp. De Studiecommissie hanteert ook een scenario met een productiviteitsgroei van 1,75 procent, maar dat vinden de meeste economen totaal irrealistisch. Die optimistische productiviteitscijfers worden nochtans elders nog altijd gehanteerd. Bijvoorbeeld bij het vastleggen van het percentage waarmee de uitkeringen mogen stijgen. Met het Generatiepact van 2005 werd beslist om de uitkeringen welvaartsvast te maken. Dat betekent dat ze niet alleen worden aangepast aan de levensduurte of de indexstijgingen, maar dat ze ook de reële loonstijgingen volgen. Een begrijpelijke maatregel, want de evolutie van de uitkeringen bleef lange tijd achter op de gestegen welvaart. De voorbije jaren vond een inhaalbeweging plaats. De uitkeringen worden aangepast op basis van een jaarlijkse productiviteitsstijging van 1,75 procent. Maar wanneer we de evolutie van de productiviteit tussen 2007 en 2010 bekijken (dit is de periode waarin de welvaartsvastheid zoals beschreven in het Generatiepact werd toegepast), dan is die maar met gemiddeld 0 procent per jaar gestegen. De uitkeringen stijgen dus sneller dan wat de economie toelaat. Bovendien stijgen de uitkeringen hiermee sneller dan de lonen van de werkenden. Indien deze politiek de komende vijf jaar wordt voortgezet, dan zou dit de sociale zekerheid 4,7 miljard euro extra kosten. Werkgevers vragen dan ook een bijsturing van het stelsel van welvaartvastheid op basis van een meer realistische productiviteitstoename. Ze zullen dat probleem tijdens het najaar zeker op de tafel van het interprofessioneel overleg plaatsen.