Als een werkgever voordelen van alle aard verstrekt aan zijn werknemers, dan moet daarop btw worden betaald. Op hoeveel? In het verleden ging de administratie ervan uit, dat men moest vertrekken van de prijs die de werknemer werkelijk betaalt, met als minimummaatstaf van heffing, de waarde die het voordeel heeft voor de toepassing van de inkomstenbelastingen. Dezelfde maatstaf van heffing gold in de praktijk ook als de werknemer geen persoonlijke bijdrage verschuldigd was voor het verkrijgen van het voordeel.
...

Als een werkgever voordelen van alle aard verstrekt aan zijn werknemers, dan moet daarop btw worden betaald. Op hoeveel? In het verleden ging de administratie ervan uit, dat men moest vertrekken van de prijs die de werknemer werkelijk betaalt, met als minimummaatstaf van heffing, de waarde die het voordeel heeft voor de toepassing van de inkomstenbelastingen. Dezelfde maatstaf van heffing gold in de praktijk ook als de werknemer geen persoonlijke bijdrage verschuldigd was voor het verkrijgen van het voordeel. Maar het zogenaamde 'Scandic'-arrest van het Europees Hof van Justitie gooide roet in het eten. Althans als de werknemer wel een persoonlijke bijdrage verschuldigd is. Het Hof besliste immers dat de maatstaf van heffing enkel kan bestaan uit de werkelijke tegenprestatie die de belastingplichtige ontvangt. Het feit dat de ontvangen vergoeding hoger of lager is dan de kostprijs van de prestatie, heeft geen belang (arrest van 20 januari 2005). Op basis van deze rechtspraak moest men besluiten dat het hanteren van een minimummaatstaf van heffing strijdig is met de Europese btw-regels indien de werknemer wel een persoonlijke bijdrage betaalt. De Belgische btw-administratie vreesde dat werkgevers gebruik zouden maken van deze rechtspraak om de btw-kosten tot een minimum te herleiden. Hoe? Bijvoorbeeld door ten aanzien van voordelen waarvoor tot nu toe geen prijs werd gevraagd, voortaan toch een persoonlijke bijdrage, hoe klein ook, aan te rekenen. Er zou dan nog enkel btw verschuldigd zijn over deze zeer lage prijs. België vroeg en kreeg daarom toestemming van Europa om in deze (en nog andere) omstandigheden de maatstaf van heffing vast te stellen op de 'normale waarde'. Bijgevolg werd de wet aangepast. Sindsdien staat uitdrukkelijk in het wetboek te lezen in welke gevallen de 'normale waarde' als maatstaf van heffing in de plaats komt van de werkelijk betaalde prijs. Dit is het geval als de volgende voorwaarden samen vervuld zijn: (1) de tegenprestatie is lager dan de normale waarde; (2) de afnemer van de levering van goederen of de dienst heeft geen volledig recht op aftrek van de verschuldigde belasting; en (3) de afnemer is verbonden met de leverancier van de goederen of de dienstverrichter, ofwel via een arbeidsovereenkomst, ofwel als vennoot, lid of bestuurder van de vennootschap of rechtspersoon. Met dien verstande dat men ook rekening houdt met familiebanden tot in de vierde graad. Al gauw bleek, dat de nieuwe regeling een averechts effect heeft. Weliswaar sluit zij uit dat men de maatstaf van heffing zou kunnen beperken tot een symbolische prijs. Maar zij heeft het omgekeerde effect: de maatstaf van heffing van de btw zal nu in veel gevallen veel hoger zijn dan men tot nu toe gewend was. Neem bijvoorbeeld het geval van een werkgever die een bedrijfswagen ter beschikking stelt van een personeelslid dat daarvoor een minieme persoonlijke bijdrage verschuldigd is. Voor de toepassing van de inkomstenbelastingen wordt het voordeel van alle aard berekend aan de hand van forfaitaire kilometerprijzen die rekening houden met de fiscale pk van de wagen. Die kilometerprijzen zijn eerder aan de bescheiden kant. Voor een wagen van 11 pk is die prijs bijvoorbeeld gelijk aan 0,3474 euro. In het verleden ging men ervan uit dat de btw moest worden berekend aan de hand van deze kilometerprijzen (zolang de tussenkomst van de werknemer lager was). In de nieuwe regeling moet men in principe uitgaan van de 'normale waarde' van het voordeel. Die is volgens de wet gelijk aan "het volledige bedrag dat een afnemer in de handelsfase waarin de levering van goederen of de dienst wordt verricht, bij eerlijke concurrentie zou moeten betalen aan een onafhankelijke leverancier of dienstverrichter (...)". Wat bedrijfswagens betreft, moet men dus kijken naar de normale prijzen op de markt van de autoverhuur. Die prijzen liggen fors hoger dan de forfaitaire kilometerprijzen die men in de inkomstenbelastingen hanteert. De wetswijziging zou aldus tot gevolg hebben dat men veel meer btw dan voorheen zou moeten betalen. Aan de minister van Financiën werd daarom vorig jaar al gevraagd of men bij het berekenen van de btw niet zoals vroeger mag blijven uitgaan van de forfaitair geraamde bedragen voor inkomstenbelastingen (als de persoonlijke bijdrage van de werknemer lager is). De minister heeft dat toen bij monde van zijn staatssecretaris bevestigd. Een tijdje geleden heeft de administratie zich daar uitdrukkelijk bij aangesloten. Zij gaf toen het voorbeeld van de terbeschikkingstelling van een bedrijfswagen tegen betaling van een bijdrage door de werknemer. Is deze bijdrage lager dan de waarde van het voordeel van alle aard zoals dat op het gebied van de inkomstenbelastingen wordt berekend, dan is de maatstaf van heffing van de btw zoals voorheen, zo heeft zij bevestigd, gelijk aan deze waarde. Anders gezegd, de 'normale waarde' gaat in deze gevallen terug de ijskast in. Zij geldt slechts als 'stok achter de deur'. (T) DE AUTEUR IS ADVOCAAT EN HOOFDREDACTEUR VAN FISCOLOOG.Jan Van Dyck