ADAM WIST HET AL.
...

ADAM WIST HET AL."Soms als gevolg van een verminderd verbruik van de belaste goederen en soms door het stimuleren van smokkelaktiviteiten, kunnen verhoogde belastingen aan de overheid een geringere opbrengst bezorgen dan een meer gematigde belasting zou opleveren, " zo schreef nu al meer dan 200 jaar geleden Adam Smith in het vijfde deel van zijn monumentale werk The Wealth of Nations (1776). Heerst er vrij grote unanimiteit dat The Wealth of Nations mag beschouwd worden als de start van ekonomie als een zelfstandige wetenschap, bovengaand citaat geeft duidelijk aan dat Adam Smith in ieder geval reeds de basisidee van de Laffer-curve doorzag. De overlevering wil dat de jonge ekonoom Arthur Laffer, opgeleid aan de prestigieuze universiteiten Yale en Stanford, in de tweede helft van de jaren zeventig zijn fameuze curve omtrent de relatie tussen belastingtarieven en belastingopbrengsten in een restaurant in Washington op een servet tekende voor Jude Wanninski, in die dagen journalist bij de Wall Street Journal. Laffer en Wanninski ontpopten zich tot drijvende krachten in het team dat Ronald Reagan in 1980 naar het Amerikaanse presidentschap katapulteerde.Reagan verlaagde in 1981 het toptarief in de personenbelasting van 70 % naar 30 % waarbij op basis van de Laffer-curve de verwachting leefde dat die belastingverlaging tot een dermate grote expansie in de ekonomische aktiviteit zou leiden dat, ondanks de lagere tarieven, de globale ontvangsten toch nog zouden toenemen. Deze visie werd door de gevestigde waarden uit de ekonomische wetenschap kwasi unaniem weggehoond. Toch bleek achteraf dat de begrotingstekorten die in het Reagan-tijdperk ontstonden op de allereerste plaats uit de toename van de uitgaven (vooral defensie) voortvloeiden en niet zozeer uit een terugloop van de ontvangsten.Ronald Reagan was daarmee echter lang niet de eerste Amerikaanse president die experimenteerde met een beleid waarbij de contouren van de Laffer-curve als onmiskenbaar achtergronddecor fungeerden. Ook het beleid van wijlen John F. Kennedy ideologisch zowat de komplete tegenpool van Reagan vertoonde nadrukkelijke kenmerken van wat men in de Reagan-periode supply-side economics of aanbodekonomie is gaan noemen.In februari 1963 verklaarde Kennedy's minister van Financiën Douglas Dillon het volgende voor het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden : "Het beleid van belastingverminderingen en -hervormingen zal het partikulier initiatief aanmoedigen en de investeringen stimuleren door de beloning voor inspanning, ondernemerschap en risico te vergroten. Het zal op die manier onze ekonomie voortstuwen naar snellere groei en een betere toekomst. Een tijdelijke derving van belastingontvangsten zal gedragen worden door het stimulerend effekt dat de vermindering en de hervorming van de belastingen zal hebben. Dat zal aanleiding geven tot nieuwe belastinginkomsten. Op langere termijn zal ons belastingstelsel aanmerkelijk grotere ontvangsten opleveren. "Bijna vijftien jaar na Dillon legde Walter Heller een zo mogelijk nog krachtiger verklaring af voor datzelfde Huis van Afgevaardigden. Heller was onder de presidenten Kennedy en Johnson voorzitter van de Council of Economic Advisers en stond geboekstaafd als een onversneden keynesiaan, de bêtes noires bij uitstek van de latere aanbodekonomen. Walter Heller in 1977 : "De belastingverlaging van het begin van de jaren zestig leidde tot een surplus van drie miljard dollar medio 1965, het moment waarop de escalatie in Vietnam ons raakte. Het was een belastingverlaging met 12 miljard, hetgeen vandaag zowat 33 tot 34 miljard dollar zou betekenen en binnen het jaar waren de inkomsten van de schatkist al hoger dan vóór de belastingverlaging. Betaalde de belastingverlaging zichzelf terug door middel van toegenomen inkomsten ? Ik geloof van wel en het bewijsmateriaal is ijzersterk. "Enkele jaren tevoren kreette de konservatieve president Richard Nixon : "We're all keynesians now". Geen wonder dat ekonomen mettertijd de reputatie kregen een bende kibbelende betweters te zijn. JOHN F. KENNEDY Supply-sider avant-la-lettre.