DE LASTIGE TRANSITIE naar een economie die kan leven met corona vergt veel meer dan een succesvolle exitstrategie. De economie zoals die bestond vóór covid-19 is dood en zal niet verrijzen. In de plaats komt de anderhalvemetereconomie, die gebonden blijft door de maatregelen die nodig zijn om de besmettingscurve vlak te houden. Het herstelperspectief van die economie is beperkt. Het businessmodel van verschillende sectoren - denk aan de horeca en het entertainment - blijft nog lange tijd waardeloos. Andere sectoren hebben geen andere keuze dan af te bouwen, terwijl nog andere nieuwe groeiplannen maken. Er komt een periode van snelle creatieve destructie aan.
...

DE LASTIGE TRANSITIE naar een economie die kan leven met corona vergt veel meer dan een succesvolle exitstrategie. De economie zoals die bestond vóór covid-19 is dood en zal niet verrijzen. In de plaats komt de anderhalvemetereconomie, die gebonden blijft door de maatregelen die nodig zijn om de besmettingscurve vlak te houden. Het herstelperspectief van die economie is beperkt. Het businessmodel van verschillende sectoren - denk aan de horeca en het entertainment - blijft nog lange tijd waardeloos. Andere sectoren hebben geen andere keuze dan af te bouwen, terwijl nog andere nieuwe groeiplannen maken. Er komt een periode van snelle creatieve destructie aan. LANDEN DIE zich het vlotst kunnen aanpassen aan die nieuwe realiteit, hebben een strategisch voordeel. België hoort daar helaas niet bij. De transitie naar de anderhalvemetereconomie vraagt flexibiliteit, financiële reserves en sterk leiderschap. De Belgische economie scoort zwak op die drie parameters. Onze structuren, vooral op de arbeidsmarkt, zijn te rigide om de economie snel om te bouwen. De overheidsfinanciën zijn te zwak om de transitie voluit te begeleiden. En het politieke leiderschap is te versnipperd en te zwak om de lijnen uit te tekenen. Er is dringend een sterke federale regering met een brede meerderheid nodig. DE VOLGENDE GROTE TEST wordt de bijsturing van de maatregelen, als de acute fase plaats maakt voor de chronische. De kans is groot dat de bestaande maatregelen moeten worden verlengd, zoals het systeem van tijdelijke werkloosheid, of dat andere moeten worden uitgebreid, zoals de kredietverlening met een overheidswaarborg. Die maatregelen verdragen echter een bijsturing. In de eerste acute crisisfase is de prioriteit alles en iedereen zo veel mogelijk te beschermen en te verdedigen wat je hebt, kwestie van een voldoende basis te behouden om een minimum aan herstel mogelijk te maken. De economie wordt bevroren om het rottingsproces af te remmen. Maar het vrij royale systeem van de tijdelijke werkloosheid, de waterval aan premies en de overheidswaarborg aan het bedrijfsleven zetten tegelijk een stolp op de economie en verdoven de noodzaak van een strategische verandering. DIE AANPAK IS NIET VOL te houden, want we kunnen niet terugkeren naar wat niet meer is. In de tweede fase moeten er prikkels komen die de mensen en de sectoren aanmoedigen om zich aan te passen. Het vangnet dat de overheid heeft gespannen, mag de herbestemming van mensen en kapitaal niet te veel afremmen. Hoe vlotter de middelen van de krimpsectoren - zoals de horeca - vloeien naar de groeisectoren - zoals de distributie en de zorg - hoe krachtiger het herstel wordt. Als de knelpuntberoepen nu niet ingevuld raken, dan nooit meer. De transitie vergt ook de herscholing van een enorm groot deel van de beroepsbevolking. Je kan ruim 1 miljoen mensen niet blijven betalen om thuis te blijven. Als voor een grote groep tijdelijke werkloosheid versteent tot echte werkloosheid, wordt extra opleiding onontbeerlijk. OOK DE STEUN AAN het bedrijfsleven kan geen blanco cheque blijven, zeker als die nog moet worden uitgebreid in verscheidene sectoren. Kunnen bedrijven die overheidssteun krijgen nog dividenden of bonussen uitdelen? Kan je tegelijk aan het overheidsinfuus hangen en je aandeelhouders vergoeden? De overheid moet ook selectiever worden. De acute liquiditeitscrisis dreigt voor veel bedrijven een nog dodelijkere solvabiliteitscrisis te worden. De overheid kan niet iedereen redden. Het is niet haar taak de oude economie te verdedigen, wel te investeren in de nieuwe. Moet de overheid bijvoorbeeld Brussels Airlines redden? En zo ja, onder welke voorwaarden? Een redding is maar fatsoenlijk als de luchtvaartmaatschappij afslankt tot een rendabel bedrijf en als de overheid geen noodleningen verstrekt, maar instapt in het kapitaal. Dan neemt de belastingbetaler niet alleen het risico, maar kan hij ook delen in het herstelpotentieel. De transitiestrategie wordt nog veel belangrijker dan de exitstrategie.