Vorige week dinsdag om 10.45 uur donderde het boven Vorst. De Volkswagenfabriek verloor de productie van de Golf en tot 4000 banen zouden sneuvelen. Een harde rechtse, vol in het gezicht van de werknemers. Knock-out.
...

Vorige week dinsdag om 10.45 uur donderde het boven Vorst. De Volkswagenfabriek verloor de productie van de Golf en tot 4000 banen zouden sneuvelen. Een harde rechtse, vol in het gezicht van de werknemers. Knock-out. Een mix van woede, verslagenheid en verdriet overheerste. En die gevoelens werden in min of meerdere mate gedeeld door bijna alle waarnemers. Tegelijk werden analyses gemaakt. Hoe had dit vermeden kunnen worden? Welke lessen kunnen we hieruit trekken? Moeten we ons economische beleid bijsturen? Rudi Thomaes, gedelegeerd bestuurder van het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO), reageerde met de opmerking dat "loonmatiging meer dan ooit vereist is". Hij zal die boodschap ongetwijfeld meenemen naar de onderhandelingstafel van de Groep van Tien die een loonnorm moet vastleggen voor de periode 2007-2008. De vakbonden trekken andere conclusies. Vrij vertaald komt hun reactie op het volgende neer: waarom alles inzetten op loonmatiging en flexibiliteit als het toch niet helpt? Hopelijk kunnen de sociale partners zich boven het gedonder en gebliksem van Vorst zetten. En zich buigen over de vraag hoe het verder moet met onze economie. Dominique Moorkens, die als chief executive officer (CEO) van autodistributeur Alcopa de automobielsector door en door kent, gaf een eerste goede aanzet (Le Soir, 22 november): "De overheid moet niet tegen de stroom in investeren. De steenkool en de staalnijverheid hebben dat in het verleden bewezen. Ze moet investeren in de toekomst."In diezelfde krant is Pierre-Alain De Smedt, een andere man met een carrière in de automobiel om u tegen te zeggen en vandaag voorzitter van Febiac (de federatie van automobielconstructeurs), niet minder hard: "We staan niet voor het einde van het tijdperk van de automobielconstructie in België, maar op lange termijn is het erg moeilijk om ze hier te behouden."Staan er ons nog drie VW-drama's te wachten: Ford, General Motors en Volvo? De overheid doet nochtans alles wat ze kan. Met als blikvangers de korting op de bedrijfsvoorheffing (vanaf 1 april 2007 10,7 %) en de flexibele regeling van de arbeidstijden. Parels voor de zwijnen. Heeft onze industrie nog een toekomst? Sommige takken zijn nagenoeg volledig verdwenen, denk aan de steenkool of een kleinere sector als de schoenenindustrie. De textielbranche is gedecimeerd. De automobiel heeft met de zware herstructurering van Ford en de sluiting van Renault Vilvoorde al zijn deel gekregen. "De vraag is hoe we werkgelegenheid willen creëren," zegt Freddy Heylen, economieprofessor aan de Universiteit Gent. "Doen we dat door het huidige beleid van loonmatiging of doen we dat door een verschuiving van de arbeidsvraag?" De Scandinavische landen en Ierland hebben resoluut gekozen voor die laatste optie. Ze gaan voor de vernieuwing van de economie door alle kaarten in te zetten op innovatie. Hun strategie van innovatie doet hoge lonen samengaan met hogere werkgelegenheid. Ierland ziet zowel de productiviteit, de lonen, de koopkracht als de werkgelegenheid stijgen, vooral dankzij inkomende buitenlandse investeringen. Wie vooral de klassieke en huidige activiteiten wil behouden, moet loonmatiging centraal zetten. Want veel van die klassieke activiteiten, zoals de automobielproductie, staan onder zware druk om te delokaliseren. De productie van VW Vorst gaat naar Duitsland, maar de échte concurrent heet Slowakije, dat dit jaar België al heeft ingehaald als land met de hoogste autoproductie per inwoner. Extreem lage lonen in China en India en lage lonen in Oost-Europa brengen bij ons in West-Europa een spiraal van loonmatigingen op gang. In de innovatieve sectoren is dat veel minder het geval. De concurrentie uit lagelonenlanden is er veel lager. En dus is er meer ruimte om hogere lonen te betalen. Loonmatiging is iets vanzelfsprekends geworden. Sinds 1996 kent België de wet op het concurrentievermogen. Sindsdien is onze loongroei gekoppeld aan de loonontwikkelingen in de drie buurlanden: Nederland, Frankrijk en Duitsland. "De koppeling aan andere landen heeft weinig zin," zegt Marc De Vos, professor arbeidsrecht aan de Universiteit Gent en directeur van de denktank Itinera Institute. "Zij verlagen en wij reageren met een verlaging. Uiteindelijk heeft niemand winst geboekt."En dat is er de jongste jaren ook gebeurd. Duitsland heeft zijn lonen zeer sterk gematigd, maar Nederland doet dat al veel langer. Het startpunt was de fameuze verklaring van Wassenaar in 1982, waarin vakbonden en werkgevers zich gezamenlijk uitspraken voor een langere periode van matige loongroei. Volgens Alfred Kleinknecht, professor economie aan de TU Delft, heeft dat Nederland een valse indruk van welvarendheid gegeven. Volgens Kleinknecht heeft de loonmatiging tot twee dingen geleid: een lager niveau van innovatie en een daling van de arbeidsproductiviteit. Kleinknecht citeert verscheidene argumenten. Zo zorgt een lage loongroei ervoor dat bedrijven die niet innovatief zijn en het minder goed doen, toch nog het hoofd boven water kunnen houden. Ze worden niet verplicht tot innovatie om hogere lonen te kunnen betalen. Ze worden ook niet onmiddellijk in een faillissement gedwongen omdat ze het onvoldoende goed doen. Met andere woorden, loonmatiging zorgt voor een onvoldoende vernieuwing van de economie. Lage lonen zorgen ook voor minder vraag, en het is bewezen dat een hoge vraag voor een hoge innovatieve activiteit bij de bedrijven zorgt. Kleinknecht stelde vast dat in de jaren zeventig het Nederlandse exportmarktaandeel verbeterde terwijl de arbeidskosten stegen. De verbetering van de loonkostenpositie in de jaren tachtig en negentig leidde dan weer tot een lager marktaandeel. Het verschijnsel staat bekend als de Kaldorparadox: landen met de snelste verbetering van het exportmarktaandeel zijn deze met de snelste kostenstijgingen. Een mogelijke verklaring is dat die landen niet concurreren op kosten en prijzen, maar op technologie, innovatie en productkwaliteit. Micro-economisch onderzoek bevestigt dat. De loonmatiging in Nederland lijkt echter succesvol omdat ze groei en jobs heeft gecreëerd. Kleinknecht geeft dat ook toe. Loonmatiging is voor hem op korte termijn positief, maar negatief op lange termijn. Ten eerste zorgt de lagere innovatiegraad voor een geringere arbeidsproductiviteit. Waardoor het voordeel van de loonmatiging automatisch verloren gaat. Bovendien zorgt de banengroei voor krapte op de arbeidsmarkt, waardoor er een opwaartse loondruk ontstaat. "Nederland bijt zich met z'n loonmatigingsbeleid in de eigen staart," zegt Kleinknecht. Hoe worden we welvarender? Door met dezelfde middelen meer te produceren. Dat is een eenvoudige uitleg voor het begrip hogere arbeidsproductiviteit. Productiviteit en loon zijn Siamese tweelingen. Als de ene stijgt, kan ook de andere toenemen. Waar het om draait, is de zogenaamde loonkost per eenheid product. Eenvoudig uitgelegd: als je minder loon moet betalen terwijl er tegelijk ook minder wordt geproduceerd per uur, dan blijft de kostprijs identiek. In de jaren zestig van de vorige eeuw kende België met 4 % een erg hoge productiviteitsgroei (zie grafiek: Productiviteit daalt). In de jaren zeventig daalde die naar 3 %, maar dat was nog steeds ruim voldoende om onze hoge lonen te compenseren. Sindsdien is de productiviteitsgroei echter gezakt naar een magere 1 %. De Vergrijzingscommissie legt er de nadruk op dat de verhoging van de productiviteit een van de essentiële factoren is om de kosten van de vergrijzing te kunnen betalen. In de jongste Economic Research Notes van KBC schrijft econoom Bart Van Craeynest dat "de arbeidsproductiviteit hoe dan ook de sleutel voor de komende decennia wordt". Freddy Heylen verwijst naar een studie eerder dit jaar van de Gentse onderzoeksgroep Sherppa en concludeert: "België heeft veel meer een probleem met de productiviteit dan met de loonkosten". In de Verenigde Staten zien we een tegengestelde beweging (zie grafiek: Productiviteit daalt). De productiviteit is daar snel gegroeid. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Europese landen posities verliezen in allerlei internationale competitiviteitsrangschikkingen. De enige uitzonderingen zijn de Scandinavische landen en Ierland. Niet toevallig landen die alles op innovatie hebben gezet. Voor het productiviteitsverschil tussen Europa en de VS zijn er een aantal belangrijke verklaringen: de hogere investeringen in O&O, de hogere mate van regelgeving en de lagere concurrentiedruk in Europa. Hoe sterker de concurrentie, hoe meer de meest productieve bedrijven marktaandeel winnen en de minder productieve bedrijven uit de markt duwen. In Europa blijven die minder productieve bedrijven te lang de kop boven water houden. Ze worden daarbij geholpen door de politiek van loonmatiging. "De druk om te vernieuwen moet komen van de concurrentie, niet van de loonkosten," zegt Marc De Vos. "Het nadeel van loonmatiging is inderdaad dat het de kennisindustrie afremt," zegt Freddy Heylen. Bedrijven die vooruit willen, hebben geen boodschap aan een loonstop." Maar volgens Heylen mogen we de zaken niet eenzijdig bekijken. Het is niet loonmatiging of innovatie, maar wel beide. "We moeten ook aan de aanbodzijde van de arbeidsmarkt werken," zegt de Gentse prof. "Dat betekent veel nadruk op vorming, scholing en een actief arbeidsmarktbeleid. Daardoor kunnen we het potentieel aan arbeidskrachten verruimen en dat geeft automatisch ook minder loondruk." Marc De Vos is nog voorzichtiger. "Hoge lonen kunnen we ons veroorloven als de productiviteit en de innovatie hoog zijn. Dan zitten we in een positieve spiraal. Als de lonen echter niet in verhouding staan tot de productiviteit, dan zitten we in een negatieve spiraal. Jammer genoeg is dat het geval. Vandaar dat loonmatiging nuttig kan zijn. Maar vandaag wordt ze opgelegd aan alle sectoren, terwijl sommige er geen nood aan hebben."Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) maakt in zijn recente evaluatie van de Belgische economie dezelfde analyse. Het pleit voor een matiging van de loonkosten. Maar ook voor grotere loonverschillen tussen de sectoren en de ondernemingen. Een uniforme loonnorm is geen goed idee, want die houdt onvoldoende rekening met productiviteitsverschillen. In de Verenigde Staten zijn de lonen hoger dan hier in de productieve sectoren, maar lager in de minder productieve. Durven de sociale partners tijdens de huidige loononderhandelingen deze discussie aan? Als ze daarin slagen, dan kan de woede van Vorst vervangen worden door het geluk in een nieuwe economie. Guido Muelenaer