De prijs van de ruwe olie ligt momenteel ruim 25 procent hoger dan een jaar geleden. Staan het Westen en de oliearme ontwikkelingslanden, na de Opec- machtsgrepen van 1973 en 1979, voor een nieuwe oliecrisis ? Of is de Iraakse olie een geschenk uit de hemel ?
...

De prijs van de ruwe olie ligt momenteel ruim 25 procent hoger dan een jaar geleden. Staan het Westen en de oliearme ontwikkelingslanden, na de Opec- machtsgrepen van 1973 en 1979, voor een nieuwe oliecrisis ? Of is de Iraakse olie een geschenk uit de hemel ?Londen.Net zoals bij bananen, pc's, auto's en burgerlijk ingenieurs wordt ook voor ruwe olie de prijs bepaald door de marktverhoudingen. Overstijgt de vraag het aanbod, dan ontstaat een tendens tot prijsverhoging. Bij een aanbodoverschot Irak mag sinds verleden week weer 600.000 vaten per dag exporteren komen de prijzen normaliter onder neerwaartse druk. Zoals de grafiek Oliebalans aangeeft, overstijgt de vraag tijdens het eerste en vierde kwartaal hoofdzakelijk als gevolg van de winter in het geïndustrialiseerde Westen het aanbod. Maar de vergelijking tussen vraag en aanbod verklaart niet alles. De olieprijzen worden evenzeer bepaald door de voorraden (zie tabel : Olievraag & voorraden). Over de hele wereld zijn de voorraden tijdens het voorbije jaar geslonken : in de Aziatische landen met 9,6 procent (of 16 miljoen vaten minder), in de Europese Unie met 3,7 procent (of 15 miljoen vaten minder) en op wereldvlak met 2,6 procent. De voorraden zijn continu verminderd sinds de tweede helft van 1993. Zowat alle olieanalisten zijn het erover eens dat, omwille van strategische en technische redenen, een verdere afbouw van de olievoorraden nog nauwelijks tot de mogelijkheden behoort. De consument zal het misschien allemaal worst wezen. Maar één zaak weet hij of zij zeker : aan de pomp loopt de teller steeds hoger op. Hoe dat komt ? Vraag en aanbod, het voorraadbeheer, de door de staat opgelegde heffingen en de internationale olieprijzen zorgen voor een melting pot. Een vat ruwe olie (zie grafiek : Up, Up, Up) ging de voorbije jaren de markt op voor een relatief stabiel bedrag : 15 dollar in 1994, 17 dollar in 1995, 18 dollar in de zomer van 1996. Maar in oktober 1996 was er plots een opstoot tot 23 dollar per vat. Het doet denken aan de zwarte jaren tachtig toen Opec haar vaten olie verkocht tegen gemiddeld 40 dollar. Een zoveelste oliecrisis ? Of kan Irak, dat sinds vorige week opnieuw tot 600.000 vaten per dag mag exporteren, de bedrukte stemming aan veel westerse pompen opsmukken ? Meer aanbod betekent in theorie dalende prijzen. Jeffrey Currie, energieanalist bij Goldman Sachs in New York, ziet het niet zo optimistisch in : "De gespannen verhouding tussen vraag en aanbod zal blijven. In deze periode van het jaar wordt traditioneel een aantal oliebronnen in het Midden-Oosten tijdelijk gesloten voor onderhoud. Dat is onder meer het geval in Qatar en in de Emiraten. Vergeet ook niet dat, op Saudi-Arabië, Koeweit en de Emiraten na, nagenoeg alle Opec-lidstaten technisch gesproken aan hun productieplafonds zitten. Hoe graag ze misschien ook zouden willen, ze kunnen zeker niet de quota's overschrijden die hen door de Opec zijn toegewezen." Ook de Brit Peter Odell, een van de meest vermaarde experts op het gebied van olieaangelegenheden (zie kader : Visionair of fantast ?), denkt dat nieuwkomer Irak weinig neerwaartse invloed zal uitoefenen op de internationale oliemarkt. "Natuurlijk kan je de komst van Irak pas écht inschatten over een periode van pakweg zes maanden," zegt Odell. "Maar je moet daar niet veel van verwachten. De eerste indicaties wijzen op een status-quo. De Opec-club, waarvan Irak deel uitmaakt, loopt al jaren achter de feiten aan. Opec bepaalt, in tegenstelling tot de jaren zeventig en tachtig, niet langer unilateraal het prijsniveau. Dat privilege behoort nu Washington toe." ZWARTE DAGEN ?Na de schokken van 1973 en 1979 zijn er experts geweest die de evolutie van de olieprijzen zwartgallig bleven inschatten. Jeffrey Currie van Goldman Sachs behoort niet tot dit clubje. Toch durft hij zich niet uitspreken over de dreiging van een eventuele oliecrisis. Jeffrey Currie aarzelt. "Het kan nog alle kanten op," zegt de Amerikaanse energiewatcher. "De marktsituatie is echter wel dermate gespannen dat de minste storing langs de aanbodkant aanzienlijke gevolgen kan hebben. Wat bijvoorbeeld als er iets ernstigs zou gebeuren met het gammele Russische pijplijnsysteem ?" Maar ook langs de vraagkant kunnen relatief kleine verschuivingen aanzienlijke prijsgevolgen hebben. Zo schatten de specialisten van Goldman Sachs dat een toename van de vraag met 1 procent met een buitengewoon koude winter zou men zelfs veel hoger komen tot een prijsstijging van 4 procent kan leiden. "Dat is dubbel zoveel prijsreactie als pakweg drie jaar geleden," zegt Jeffrey Currie.Toch sust Peter Odell de gemoederen : "We staan vandaag voor een totaal andere situatie als bij de oliecrisissen van de jaren '70. De huidige toestand is ingegeven door Amerikaanse geostrategische belangen. De Amerikanen, en niemand anders, bepalen de prijzen op de oliemarkt. Daar gaat een geruststellend effect van uit. Washington wil onder geen enkel beding nog bruuske schommelingen op de markt."In november 1994 pakte Odell in de gezaghebbende publicatie The World Today voor het eerst uit met zijn Amerikaanse theorie. Die theorie wil dat de Verenigde Staten en Saudi-Arabië in de nadagen van de Golfoorlog een soort monsterverbond sloten. Beide landen hadden, respectievelijk als grootste olie-importeur en machtigste olie-exporteur op deze wereldbol, parallelle belangen te verdedigen, namelijk een aanvaardbare en liefst zo stabiel mogelijke olieprijs. Odell : "Een prijs van 20 dollar per vat is best aanvaardbaar voor Opec. Zelfs 16 dollar is nog oké vanuit rendabiliteitsstandpunt. Maar 25 dollar is natuurlijk stukken beter. Als er maar geen excessen meer optreden. Excessieve prijzen op de internationale oliemarkt betekenen immers ook dat de regeringen van over de hele wereld minder manoeuvreerruimte hebben om energieheffingen op te leggen. Ook dat wordt dus liefst vermeden." De Amerikanen waren de jojobewegingen van de olieprijzen al langer beu. Het Saudisch-Arabische koningshuis, door de Amerikaanse president Bill Clinton bestempeld als een baken in een woelige regio, smachtte naar de glorierijke hoogdagen, en naar het marktaandeel en de invloed van weleer (zie ook tabel : Wereldolieproductie). De kelderprijzen zorgden jarenlang voor gemor bij de Saudische achterban. "Dat alles dreef Amerikanen en Saudiërs recht in elkaars armen," schreef Odell in 1994. "En er waren nog andere redenen. Door een pact met Saudi-Arabië kregen de Amerikanen, en dus ook de Amerikaanse oliemultinationals, weer toegang tot de belangrijkste olieputten op de wereldbol. Bij wijze van tegengebaar verzekerde Washington de afname van een vast olievolume tegen een en dat is minstens even belangrijk vaste prijs. Saudi-Arabië was ook nog voor een andere reden dé ideale partner : indien nodig kon het land probleemloos meer olie uit de woestijngrond halen, en zo de prijs helpen stutten. Wie anders was daartoe in staat ?" Volgens Odell zullen Washington en Riad nog jarenlang in elkaars armen blijven liggen. "Misschien begrijpt u nu beter waarom de Amerikanen zo lang de Iraakse olie van de markt hielden," zegt hij. "Nu heet het vrolijk dat dit kan omwille van humanitaire redenen. Wees maar zeker dat Irak ook andere beloftes, onder meer qua prijzen, heeft moeten maken. De voorbije jaren kreeg iedereen die zich te veel roerde het Amerikaanse deksel op de neus. Er werden sancties afgekondigd tegen Amerikaanse bedrijven die zaken deden met Iran of Libië. Hetzelfde gold voor Nigeria. Allemaal omwille van een hoger belang en dat belang heette prijsstabiliteit. Hoe zwakker olielanden als Iran, Libië of Nigeria waren, hoe groter de kans dat de Saudisch-Amerikaanse entente zou werken." MISLEIDING.Het is deze stelling die Peter Odell in het voorjaar van 1997 opnieuw wil neerschrijven. "Er is sinds 1994 nog niets veranderd," zegt de Britse expert. "En het blijft nog jaren zo. Op de achtergrond spelen immers nog andere argumenten mee. Zo hebben ook de Amerikaanse oliebedrijven die eminente leverancies zijn van niet-Opec-olie, nog een slag onder de arm. Samen met de Saudiërs kunnen ze indien nodig de productie afremmen en de prijs wat opkrikken. De Amerikaanse geologen hebben, niet toevallig, 1996 uitgekozen om opnieuw te wijzen op slinkende olievoorraden wereldwijd. Dat is een verregaande vorm van misinformation, maar het helpt alweer de olieprijs én de inkomsten van zowel de Texaco's als Saudi-Arabië stutten. Maar laten we niet te pessimistisch zijn. Die hele constructie heeft ook haar voordelen : na 25 jaar onzekerheid (1971-1996) lijken we nu op weg naar stabiele prijzen. Al worden die dan nog door velen als te hoog ervaren." JOHAN VAN OVERTVELDT KAREL CAMBIEN OPEC Bepaalt niet langer unilateraal de olieprijzen. Dat privilege behoort nu Washington toe.