De auteur is directeur van het Carr Centre for Human Rights Policy, Kennedy School aan Harvard University.
...

De auteur is directeur van het Carr Centre for Human Rights Policy, Kennedy School aan Harvard University.De sleutelvraag inzake mensenrechten in 2003 luidde: in welk geval kunnen mensenrechten worden ingezet om een regimewissel te rechtvaardigen? Uit die vraag zal in 2004 een tweede voortspruiten: is het werkelijk zo, dat een nieuw regime de mensenrechten ten goede komt? Sceptici zullen opmerken dat de regimewissel in Irak slechts chaos heeft gebracht; verdedigers van het Amerikaanse beleid zullen opmerken dat we Irak tijd moeten gunnen. Mensenrechten hebben altijd een centrale rol gespeeld in het betoog waarmee de Britse premier Tony Blair de oorlog met Irak verdedigde. Toen bleek dat er niet meteen massavernietigingswapens te vinden waren, was ook voor de Amerikaanse president George Bush het redden van 26 miljoen Irakezen van tirannie en foltering het enige steekhoudende argument dat overbleef. En toch is er niets waaraan mensenrechtenactivisten zich meer ergeren dan dat hun doctrine een alibi voor imperialisme wordt. In september 2002, toen Bush de rapporten van Amnesty International ( AI) over de martelingen en de schending van de mensenrechten in Irak aanhaalde om zijn zaak bij de Verenigde Naties hard te maken om actie te ondernemen tegen Irak, publiceerde AI een duidelijk persbericht: "Niet in de naam van de mensenrechten." AI wees erop dat de Verenigde Staten Saddam Hoessein niet had gehekeld toen hij de Koerden vergaste of de Moeras-Arabieren afknalde. Dat was waar, maar grootmachten zijn zelden consequent als het om mensenrechten gaat. De VS (en de meeste andere landen) hanteren één maatstaf voor hun vrienden en een andere voor hun vijanden, zelfs een aparte norm voor Saddam Hoessein toen hij nog een bondgenoot was en weer een andere toen hij het zwarte schaap werd. Het is makkelijk om de hypocrisie van de machthebbers te hekelen, maar wel noodzakelijk. Een veel moeilijker probleem voor mensenrechtenactivisten is evenwel welk standpunt zij moeten innemen als de huichelaars daadwerkelijk beslissen om een schender van de mensenrechten ten val te brengen. Neutraal blijven is één optie. Sommige mensenrechtenorganisaties, zoals Human RightsWatch, nemen geen stelling in voor of tegen het gebruik van geweld in de verdediging van de mensenrechten. Anderen, zoals Physicians for Human Rights, waren bereid om geweld als laatste uitweg te gebruiken, maar niet in Irak. Toch brengen die standpunten mensenrechtenorganisaties in een merkwaardige positie: eerst hekelen ze de schending van de mensenrechten door slechte regimes om vervolgens neutraal te blijven als iemand de tanks op ze afstuurt om ze ten val te brengen. Irak zal niet de enige - en zelfs niet de belangrijkste - mensenrechtenkwestie vertegenwoordigen in 2004. Maar het vraagstuk dat Irak te berde bracht - wanneer rechtvaardigen tirannie en misbruik een interventie? - zal het voornaamste dilemma vormen in Zimbabwe, waar de vergrijzende regering van president Robert Mugabe een rijk land op de rand van de hongersnood heeft gebracht; in Myanmar, waar een dictatoriale junta zich vastklampt aan de macht in plaats van die af te staan aan Aung San Suu Kyi, de keuze van het volk; in Iran, waar democratische krachten gesmoord worden door een regime dat middeleeuwse religieuze verdrukking combineert met het eenentwintigste-eeuwse streven naar massavernietigingswapens; in Noord-Korea, waar een regime die haar eigen mensen niet eens te eten kan geven, aan nucleaire chantage doet om het hoofd boven water te houden. Wellicht is het gebruik van geweld in al die of sommige van die gevallen niet verstandig, maar een lichte vorm van dreigen met geweld zou wel eens de enige manier kunnen zijn om die regimes te dwingen om zowel de non-proli- feratiepolitiek als de mensenrechtenconventies na te leven. Michael Ignatieff