Moeilijk te verzoenen belangen

Voordelen uit aandelenopties die aan werknemers worden toegestaan, zullen op forfaitaire wijze worden belast. Vraag is alleen hoe hoog die belasting zal zijn.

In (meestal) grotere ondernemingen komt het dikwijls voor dat men werknemers extra beloont door het toekennen van aandelenopties. Die opties verlenen de werknemer of het kaderlid de mogelijkheid om aandelen van de vennootschap, of van een vennootschap van de groep te verwerven tegen een vooraf afgesproken prijs. De hoop is dan dat de waarde van deze aandelen nadien fors stijgt. Ver boven de uitoefenprijs. Zodat de optiehouder een flinke winst realiseert.

Stel bijvoorbeeld dat ik gratis een optie verwerf om aandelen die vandaag 1000 frank waard zijn, in de loop van de eerstvolgende jaren aan te kopen tegen ook 1000 frank. En dat de waarde van de aandelen in die periode stijgt naar 1200 frank. Ik heb dan het recht om tegen 1000 frank een goed te verwerven dat in werkelijkheid 1200 frank waard is. De winst ligt voor de hand.

TOMBOLA.

Maar hij is niet verzekerd. Als de waarde van de aandelen bijvoorbeeld daalt, dan heeft de optie geen enkele waarde meer. Ik win niets. En als ik voor de optie ook nog heb moeten betalen, verlies ik in plaats van te winnen.

Aandelenopties zijn bijgevolg zoals biljetten van de tombola. Hun aantrekkelijkheid zit hem in de kans op een grote winst. Maar niet iedereen wint noodzakelijk.

FISCAAL.

Hoe worden dergelijke aandelenopties fiscaal behandeld? Op één punt bestaat eensgezindheid: als de aandelenopties toegekend worden uit hoofde of ter gelegenheid van het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, dan kan er sprake zijn van een voordeel van alle aard dat als een beroepsinkomen moet worden belast.

Maar vooraleer men tot een effectieve belastingheffing kan overgaan, moeten nog twee andere vragen beantwoord worden. Eén: op welk ogenblik verkrijgt men het voordeel? En twee: hoe groot is het voordeel?

REDENERING.

Bij aandelenopties zijn twee grote redeneringen mogelijk. Een eerste redenering is, dat het voordeel bestaat op het ogenblik dat de aandelenoptie wordt toegekend. Het is op dat ogenblik immers dat ik het recht verkrijg om in de toekomst aandelen te verwerven tegen een bepaalde prijs. Dat recht heeft normaal gezien op datzelfde ogenblik een zekere waarde. Maar het is zeer moeilijk om die waarde nauwkeurig te meten. In beurskringen circuleren weliswaar ingewikkelde berekeningsformules. Maar zeker in het geval van niet-beursgenoteerde vennootschappen hebben deze formules slechts een relatieve waarde.

Een tweede redenering luidt, dat men moet wachten tot op het ogenblik van het lichten van de optie; om vervolgens op datzelfde ogenblik na te gaan of er effectief een voordeel is, en hoe groot het is.

ALEATOIR.

Elk van beide redeneringen heeft haar voor- en nadelen. De tweede benadering (belasting op het ogenblik van het lichten van de optie) is ongetwijfeld de meest eenvoudige. Het nadeel is dat ze op fiscaal gebied aan de aandelenopties elk aleatoir karakter ontzegt: niemand zal belast worden op een voordeel dat hij niet verkregen heeft, terwijl ook niemand aan de belasting op het werkelijk gerealiseerde voordeel ontsnapt.

Het voordeel belasten op het ogenblik van het lichten van de optie, is bovendien juridisch niet helemaal orthodox. Het vermogensrecht dat door de optie belichaamd wordt, bestaat immers vanaf het ogenblik waarop de optie is toegestaan. Men zou dan ook kunnen stellen dat het vanaf dat ogenblik deel uitmaakt van het privé-patrimonium van de optiehouder, en dat het nadien – op het ogenblik van het lichten van de optie – eigenlijk niet meer als een beroepsinkomen kan worden belast. Tenzij de wetgever in een wettelijke fictie zou voorzien waarbij de belastbaarheid (als beroepsinkomen) tot op dat ogenblik zou worden uitgesteld.

NIETS.

De eerste redenering (het voordeel is belastbaar op het ogenblik van de toekenning van de optie) heeft het nadeel dat de raming van het voordeel erg moeilijk is; maar zij heeft tegelijk het voordeel van de juridische orthodoxie; en van het respect van het aleatoir karakter: zoals bij een echt kansspel zijn winst noch verlies gegarandeerd. Men betaalt belasting op de waarde die het optierecht op dat ogenblik heeft (zoals men een tombolabiljet zou kopen); en wacht nadien af. Verliest men, dan heeft men de belasting voor niets betaald. Wint men, dan heeft men in ieder geval al niet voor niets belasting betaald. Wint men veel, dan krijgt men veel waar voor het ingelegde geld (in casu is dat de betaalde belasting).

Voor de fiscus is deze laatste benadering overigens ook niet noodzakelijk nadelig. Hij ontvangt immers in ieder geval belasting. Ook als de optiehouder verliest (die heeft immers op het ogenblik van het toekennen van de optie belasting betaald, ongeacht wat er nadien met die optie gebeurt).

BELGIE.

Tot nog toe heeft de Belgische fiscus zich altijd voorstander verklaard van de tweede benadering (het voordeel moet belast kunnen worden op het ogenblik van het lichten van de optie). Halverwege de jaren tachtig heeft de Belgische wetgever trouwens een bijzondere regeling uitgewerkt waarbij dat voordeel onder zeer welbepaalde voorwaarden van belasting kan worden vrijgesteld. Maar die voorwaarden zijn zo talrijk en ingewikkeld dat bijna niemand van dit gereglementeerde systeem van aandelenopties gebruik heeft gemaakt.

Allicht onder invloed van buitenlandse ervaringen, en van een meer orthodoxe juridische benadering, gaat men nu de andere richting uit. En wil men de aandelenopties voortaan belasten, niet op het ogenblik van het lichten van de optie, wel op het ogenblik van de toekenning ervan. Een principebeslissing daarover is al enkele maanden geleden op regeringsniveau genomen. Maar sindsdien is het wachten op de verdere uitwerking daarvan.

NEDERLAND.

Een van de moeilijkheden betreft immers – zoals gezegd – de vraag naar de waardering van het voordeel. Naar verluidt wil men dat op forfaitaire wijze regelen. Door het voordeel te begroten op een bepaald percentage van de waarde die het onderliggende aandeel heeft op het ogenblik van het toekennen van de optie.

Men denkt daarbij aan een basispercentage van 7,5%. Waar dit percentage vandaan komt, ligt voor de hand. In Nederland bestaat al verschillende jaren een systeem waarbij aandelenopties – op het ogenblik van hun toekenning – op forfaitaire wijze belast kunnen worden op basis van 7,5% van de waarde van de onderliggende aandelen.

Het probleem is evenwel – en dat is de Belgische regering duidelijk ook niet ontgaan – dat de Nederlandse regering inmiddels niet meer tevreden is met het bestaande systeem. Zij heeft immers vastgesteld dat sommige Nederlandse kaderleden met hun aandelenopties zeer hoge winsten hebben kunnen boeken, terwijl zij – dankzij het percentage van 7,5% – slechts weinig belasting hebben betaald.

De Nederlandse premier kondigde dan ook verschillende maanden geleden reeds aan dat de Nederlandse regeling inzake aandelenopties zal worden herzien. Een herziening die allicht zal gaan in de richting van een forse verhoging van het ramingspercentage. Voor aandelenopties met een looptijd van vijf jaar zou dit zelfs kunnen oplopen tot niet minder dan 20%.

MANAGER.

“Daar zal menig manager niet op zitten wachten,” schrijft de Nederlandse Professor Zwemmer in de jongste editie van het Nederlandse Weekblad voor Fiscaal Recht. Wie zal er immers vandaag belasting willen betalen op een forfaitair geraamde koersstijging van 20%? Hoe hoger het ramingspercentage, hoe groter de kans dat men de belasting voor niets betaalt.

Professor Zwemmer vraagt zich daarom af of het niet beter is af te stappen van het systeem waarbij men onzekere voordelen belast op het ogenblik van het toekennen van de opties, en over te stappen naar een systeem waarbij alleen nog de effectieve voordelen worden belast op het ogenblik van het lichten van de aandelenopties. De Nederlandse professor verwijst naar buitenlandse voorbeelden, met België allicht ook in het achterhoofd.

CIRKEL.

Daarmee is de cirkel rond: België kijkt naar Nederland om naar Nederlands voorbeeld een forfaitaire belasting in te voeren, terwijl de Nederlanders naar het buitenland beginnen te kijken omdat hun systeem onhoudbaar wordt.

Een vicieuze cirkel dus, die erop wijst hoe moeilijk de belangen van de belastingplichtigen en die van de schatkist, rond aandelenopties te verzoenen zijn.

Hoe dat spanningsveld in België zal worden opgelost, moet de toekomst uitwijzen. Maar uit hetgeen men in regeringskringen kan vernemen, is het nu al duidelijk dat naar een tussenweg wordt gezocht: taxatie op het ogenblik van het toekennen van de aandelenopties op basis van een forfaitair waarderingspercentage van – naar Nederlands voorbeeld – 7,5%, maar dan wel omringd met een aantal beperkende voorwaarden. Die moeten de dagdromers onmiddellijk weer naar de werkelijkheid brengen.

Jan Van Dyck is fiscalist.

Jan Van Dyck

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content