Wie zijn eerste professionele stappen zet in de modewereld heeft geld nodig. En niet een klein beetje.
...

Wie zijn eerste professionele stappen zet in de modewereld heeft geld nodig. En niet een klein beetje.Het begint meestal met het aankopen van stoffen, doorgaans op de Parijse stoffenbeurs Première Vision of bij de stoffenfabrikant zelf. Daarna moeten patronen worden gemaakt, toiles en ten slotte stalen. Het zijn de stalen die de basis vormen van een latere productie én van een eventuele voorstelling aan een publiek. "Het maken van de stalen voor een kleine collectie, low budget zeg maar, kost al snel 1,5 miljoen frank," zegt Marc Gysemans, de fabrikant voor Belgische ontwerpers zoals Raf Simons, Veronique Branquinho, Bernhard Willhelm en Anke Loh. "Dat is echt het minimum. Spreken we over een gewone designercollectie, reken dan maar op 2 miljoen." En dan hangen die kleren nog maar op een rekje. Een presentatie in Parijs is voor velen een logische volgende stap. Ten tijde van de Antwerpse Zes, eind jaren tachtig, staken Dries Van Noten, Dirk Bikkembergs, Dirk Van Saene, Marina Yee, Walter Van Beirendonck en Ann Demeulemeester de hoofden bij elkaar en huurden zij de eerste seizoenen samen een ruimte in Parijs. Dat maakte de impact niet alleen groter, het drukte vooral de kostprijs. De huidige generatie doet het liever elk apart. De goodwill van vrienden waarop een beginnend ontwerper kan rekenen, blijft natuurlijk niet duren. Bovendien is een ruimte in Parijs niet gratis. De meeste Belgische designers hebben steevast geopteerd voor alternatieve shows: niet voor de hand liggende locaties, onbekende modellen, opvallende presentaties die niks gemeen hebben met de grote shows à la Chanel, Yves Saint Laurent, Gucci. Dus nodigen ze uit naar een (leeggelopen) zwembad, een overdekte parking, een verlaten metrostation, een openluchtmarkt, het Leger des Heils enzovoort. Vaak staat of valt een defilé met wie er al dan niet in de zaal zit. Een goeie persagent hebben in Parijs is een must. Heel wat jonge Belgen zitten bij Girault-Totem, het bureau van de hippe Kuki de Salvertes. Anderen kiezen voor het Deuxième Bureau of Pressing, bureaus die stuk voor stuk een uitstekende internationale perslijst hebben en die de reputatie genieten interessante klanten naar voren te schuiven. Maar ook die mensen kosten geld. Een persagent in Parijs heb je nooit onder de 60.000 frank per maand. Meestal wordt een bedrag à la tête du client afgesproken, maar na een paar (succesvolle) seizoenen kan dat bedrag oplopen tot 200.000 frank per maand. Duur, "maar zonder pers verkoop je geen stuk," zegt Gysemans. Meestal start de verkoop de dag na de presentatie in Parijs en loopt die een goeie week. De collectie wordt dan op kapstok gepresenteerd, in aanwezigheid van een paar modellen die de ensembles showen indien daar door de klanten/winkeliers vraag naar is. Ook dat kost geld. Opnieuw moet een ruimte worden gehuurd, verkopers ingeschakeld en reis- en verblijfskosten betaald. Dat kan oplopen tot 1,5 à 2 miljoen frank.Op dit moment van het verhaal is de ontwerper al 4 miljoen kwijt, zonder te weten of er één stuk wordt verkocht. "Een echte ontwerperscollectie is als Russische roulette," zegt Gysemans. "Op een paar uitzonderingen na, ik denk aan Dries Van Noten en Ann Demeulemeester, haalt geen enkele Belgische ontwerper gigantische omzetten ( nvdr - 888 miljoen frank omzet voor Dries Van Noten in 1999). Het is mijn mening dat dat soort collecties een marketingtool moet zijn voor een tweede goedkopere lijn, ontworpen door diezelfde designer. Een huis als Versace verdient niks aan de eerste lijn, maar die doet wel de rest marcheren." Ook al haalt het jonge Belgische modegeweld geen torenhoge cijfers, de meeste Belgische designers scoren hoog inzake buitenlandse aandacht en impact in het wereldje en vinden dat véél belangrijker. Ze halen daarom hun neus niet op voor een bescheiden leven. Hun persoonlijke weddes variëren van nihil tot "het loon van een kapper" (dixit Bernhard Willhelm). De meesten zijn al blij dat ze de seizoenen aan elkaar kunnen lijmen, en dat hun collectie overeind blijft.Hoe ze die ettelijke miljoenen seizoen na seizoen bij elkaar krijgen? De BBL Antwerpen Haven heeft een fantastische relatie met beginnende modemakers uit het Antwerpse. Bob Van Opstal nam daar de fakkel over van Eric Van den Eynde, die van bij het begin geloofde in de Belgische mode- boom. Ontwerpers als Dries Van Noten, Veronique Branquinho, Jurgi Persoons en A.F. Vandevorst, allemaal hebben ze wel wat met deze bank. Veerle Windels heeft net een boek gepubliceerd over tien jonge Belgische modedesigners: Jonge Belgische Mode (Uitgeverij Ludion).Veerle Windels