De auteur is hoofdeconoom is hoofdeconoom van vermogensbeheerder Petercam.
...

De auteur is hoofdeconoom is hoofdeconoom van vermogensbeheerder Petercam. Reacties: visienoels@trends.beIn ons land is het creëren van (officiële) jobs moeilijk, want onze lonen horen bij de hoogste in de wereld. Wat daar netto van overblijft voor de werknemer, is echter zowat het laagste. Onze hoge lonen hebben dus veel te maken met het verschil tussen loonkost en nettoloon, de zogenaamde loonwig. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) berekende dat de loonwig in België in 2001 55,6 % bedroeg, tegenover een gemiddelde van 43,1 % in Europa en 30 % in Amerika. Met andere woorden, van elke 100 euro die de onderneming betaalt, gaat er in België 55,6 euro naar de staat en blijft er netto 44,4 euro over voor de werknemer. Daarmee kan hij dan leuke dingen doen, waarop hij opnieuw belastingen betaalt (zoals BTW). Geen sociale afbraak. Het verminderen van de loonwig zou een objectief moeten worden van alle Europese landen. Het zou werken aantrekkelijker maken en arbeid goedkoper. De loonwig is voor een deel echter de financiering van het socialezekerheidsstelsel. Elke discussie over een vermindering van de loonwig loopt daarom vast, want men wil "geen sociale afbraak". Die sociale afbraak gebeurt dan op een andere manier, omdat heel wat sectoren de toenemende sociale lasten niet meer kunnen dragen en delokaliseren of verdwijnen. Minder zekerheid of minder werk: wat is de echte sociale afbraak? Een groot deel van de indirecte loonkosten dient voor de financiering van andere publieke uitgaven dan de sociale. Er is zelfs een opmerkelijke correlatie tussen de indirecte loonkosten (de loonwig) en de overheidsuitgaven exclusief allerhande sociale, onderwijs- en veiligheidsuitgaven (zie grafiek). Hoe logger en inefficiënter de overheid, hoe hoger de indirecte loonkosten. België scoort bijzonder hoog: we hebben de hoogste loonwig, maar ook de op een na hoogste uitgaven voor algemene overheidsdiensten. Dat is een duidelijk indicatie dat onze hoge loonkosten ook met een duur overheidsapparaat te maken hebben. De overheid, een 'beschutte' werkplaats. Overheidsdiensten hebben niet te lijden onder dollarfluctuaties of internationale concurrentie. Er is weinig of geen druk om technologische vernieuwing of innovatie op organisatorisch vlak snel te implementeren. Voor heel wat publieke diensten of uitgaven is er geen enkele benchmark zoals in de marktsector, die meet of er efficiënt wordt gewerkt. De publieke sector is dus beschut tegen al deze 'onaangename' externe druk (India zal hun jobs nog niet snel bedreigen). De enige druk is de budgettaire, maar ook die is relatief. Bij een grote begrotingsdruk, zoals in 1993-1994 om de Maastricht-criteria te bereiken, werd de grootste inspanning geleverd door nieuwe inkomsten. De overheid verkoos zelf om vooral te besparen op investeringen, eerder dan op bijvoorbeeld overtollig personeel. De Belgische overheidsinvesteringen bedragen dan ook 1,6 % van het bruto binnenlands product (BBP) tegenover 2,4 % voor euroland en bijvoorbeeld 3,3 % in Nederland. We betalen echter maar liefst 1,3 % van het BBP méér aan overheidslonen dan de andere landen in de eurozone (1,5 % van het BBP meer dan Nederland). De begrotingsdruk heeft dus geleid tot onderinvesteren in infrastructuur, inclusief de werkmiddelen van de ambtenaren (computers, informatiebronnen, telecom enzovoort), maar geen druk op de ambtenaren of hun lonen. Ondanks de efficiëntiekloof tussen de marktsector en de publieke sector zijn er weinig aanwijzingen dat de lonen lager liggen in de tweede, maar dat is een verhaal apart. Efficiëntere overheid, meer jobs. De link tussen loonkost en een efficiënte overheid wordt zelden gelegd. De overtuiging zou echter moeten groeien dat een efficiëntere overheid leidt tot lagere indirecte loonkosten en dat dit zou kunnen zorgen voor meer jobs. Een verlaging van onze publieke loonlasten met 1,3 % van het BBP (tot het gemiddelde van euroland) kan de slagkracht van de economie verhogen, als deze opbrengsten volledig zouden gebruikt worden om de (indirecte) loonlasten te verlagen. Volgens de traditionele vuistregels komt dit overeen met 30.000 nieuwe jobs in de marktsector. Of hoe een heilzame cirkel op gang zou kunnen worden gebracht. Lagere loonkosten zouden er niet alleen voor zorgen dat sommige activiteiten en jobs toch hier mogelijk worden of blijven. We zouden ook de efficiëntie van het overheidsapparaat kunnen verhogen door een deel van de middelen te gebruiken om gemotiveerde en competente ambtenaren beter te betalen en uit te rusten. De problematiek van de indirecte loonkosten mag dus niet gereduceerd worden tot het untouchable zijn van de sociale zekerheid of de zoektocht naar nieuwe inkomsten (het Scandinavische model, dus hogere belastingen op consumptie of een vermogensbelasting, is een opkomende 'nieuwe' denkpiste). Onze economie mag geen duale economie worden, waar de marktsector meer en meer onder druk wordt gezet om steeds efficiënter te worden, om de groeiende demografische, sociale en overheidslasten te dragen. Ook de publieke sector moet een beetje van de economische stress op zich nemen. Geert Noels