Wat bepaalt de geschiedenis het meest? Maatschappelijke, sociale en economische gebeurtenissen? Of toch eerder beslissingen van individuele leiders? In deze tijden met sterke leiders als Xi Jinping en Vladimir Poetin zijn dat heel terechte vragen.
...

Wat bepaalt de geschiedenis het meest? Maatschappelijke, sociale en economische gebeurtenissen? Of toch eerder beslissingen van individuele leiders? In deze tijden met sterke leiders als Xi Jinping en Vladimir Poetin zijn dat heel terechte vragen. Ian Kershaw, specialist van de Tweede Wereldoorlog en Hitler-biograaf, probeert daarop een antwoord te vinden in zijn nieuwste boek. Aan de hand van de meest prominente politieke leiders uit de twintigste eeuw bekijkt Kershaw hoe groot de rol van een individu is voor het schrijven van de geschiedenis. Aan bod komen: Lenin, Mussolini, Hitler, Stalin, Churchill, De Gaulle, Adenauer, Franco, Tito, Gorbatsjov, Thatcher en Kohl. Al snel wordt duidelijk dat omstandigheden of gebeurtenissen los van individuele leiders een belangrijke rol spelen. Lenin zou nooit in zijn eentje de Russische Revolutie tot een succes hebben gemaakt. Hij had daarvoor de hulp nodig van Duitsland, dat de revolutionair op een trein naar Sint-Petersburg zette om daar een revolutie te ontketenen en het tsarenregime ten val te brengen. De rode draad door het boek is dat vooral crisissen de buitengewone leiders doen oprijzen. Benito Mussolini kwam aan de macht op een moment dat de Italiaanse democratie in de touwen lag. Het verband tussen de Grote Depressie en de opkomst van Adolf Hitler is bekend. Echte leiders waren ook Konrad Adenauer en Michail Gorbatsjov, die hun land met wisselend succes richting de democratie stuwden. Of redders van het vaderland werden in oorlogstijd, zoals Winston Churchill en Charles de Gaulle. Stalin kwam aan de macht via een gefabriceerde crisis. De Sovjetkrant Pravda verspreidde in 1927 fake news: de Britten stonden op het punt de Sovjet-Unie binnen te vallen. Dat leidde tot zo'n angst in Moskou dat Stalin al zijn rivalen opzij kon schuiven en zijn economische vijfjarenplan kon opleggen. Grote leiders mogen dan wel vaak dankzij gunstige omstandigheden aan de macht zijn gekomen, zodra ze in die positie zitten, maken hun leiderschapskwaliteiten dat ze er lange tijd kunnen blijven. Margaret Thatcher haalde voordeel uit het feit dat ze een workaholic was. Soms maakt een detail het verschil. De Spaanse dictator Franco zorgde ervoor dat zijn ministers murw werden door urenlange vergaderingen zonder sanitaire stop.