Wie in het bedrijfsleven staat, ondervindt het dagelijks: de concurrentiestrijd woedt verbetener dan ooit. En toch slaagden de Belgische ondernemingen erin om het afgelopen jaar hun rentabiliteit lichtjes op te krikken. Die rentabiliteit bereikte in het recessiejaar 1993 een sinds het begin van de jaren tachtig niet meer gezien dieptepunt. Sedertdien ging het telkens wat beter, een trend die zich ook in 1998 doorzette. Zoals tabel 1 aangeeft, ging zowel de rentabiliteit als de solvabiliteit (de stevigheid van de financiële structuur van de ondernemingen) erop vooruit ten opzichte van 1997. Enkel de sectoren agro en voeding, energie en textiel presteerden op dat vlak slechter.
...

Wie in het bedrijfsleven staat, ondervindt het dagelijks: de concurrentiestrijd woedt verbetener dan ooit. En toch slaagden de Belgische ondernemingen erin om het afgelopen jaar hun rentabiliteit lichtjes op te krikken. Die rentabiliteit bereikte in het recessiejaar 1993 een sinds het begin van de jaren tachtig niet meer gezien dieptepunt. Sedertdien ging het telkens wat beter, een trend die zich ook in 1998 doorzette. Zoals tabel 1 aangeeft, ging zowel de rentabiliteit als de solvabiliteit (de stevigheid van de financiële structuur van de ondernemingen) erop vooruit ten opzichte van 1997. Enkel de sectoren agro en voeding, energie en textiel presteerden op dat vlak slechter.Jaarlijks analyseert de KBC-studiedienst in de herfst een representatief staal van al bij de Balanscentrale van de Nationale Bank neergelegde balansen. Dit jaar gaat het om 65.000 ondernemingen. De studaxen van de KBC schrijven de verbetering van de rentabiliteit - gemeten aan de hand van de courante netto-winst als percentage van het eigen vermogen - vooral toe aan de hogere economische groei, de daling van de aankoopkosten (vooral als gevolg van de daling van de grondstoffen- en olieprijzen met 17% resp. 32%) en de beheersing van de personeelskosten en van de financiële lasten. Na 8,8% in 1997 klom de bedrijfsrentabiliteit vorig jaar naar 9,1%. Tabel 2 geeft aan dat er in 1998 belangrijke verschillen optraden tussen de grote en de middelgrote ondernemingen. De verbetering van de rentabiliteit kwam volledig op het conto van deze laatste groep. Bij de grote ondernemingen liep het aandeel van de verlieslatende bedrijven op, terwijl het bij de middelgrote afnam. Wel blijft er zeker op het vlak van de rentabiliteit een opvallend structureel verschil ten voordele van de grote ondernemingen. De grote ondernemingen keren ook veel meer dan hun middelgrote broers hun winst uit aan de aandeelhouders.De regionale dimensievan het KBC-onderzoek zit in tabel 3. De rentabiliteit steeg in 1998 zowel in Vlaanderen als in Wallonië, terwijl Brussel terugviel. Dat Vlaanderen een structureel hogere rentabiliteit haalt dan het zuidelijk landsgedeelte, heeft volgens de KBC-nota vooral te maken met het feit dat zeer rendabele sectoren als energie, chemie en metaalverwerking klaarblijkelijk beter gedijen in Vlaanderen. In Wallonië wegen minder rendabale sectoren als de bouw en de zware metaalindustrie zwaar door. Qua solvabiliteit klommen de Waalse ondernemingen tot het niveau van de Vlaamse.De rentabiliteit van de Belgische ondernemingen over 1998 is dus opnieuw lichtjes toegenomen en zit op het hoogste niveau sedert 1991, maar dat is nog altijd een heel eind af van de gemiddelde rentabiliteit die werd gehaald in de periode 1985-1991 (zie grafiek 1). Moet men evenwel per se terug naar die niveaus? Is een verdere verbetering van de winstgevendheid van de ondernemingen noodzakelijk om ook andere prioriteiten van het economisch beleid te kunnen realiseren?Zoals bekend voert de regering- Verhofstadt de opvoering van de werkgelegenheid hoog in het vaandel. Met name wil ze het verschil in werkgelegenheidsgraad - dit is het aantal tewerkgestelden als percentage van de bevolking tussen 15 en 65 jaar - op het niveau van de buurlanden brengen. De buurlanden haalden in 1998 een werkgelegenheidsgraad van 62,9% tegenover 57,3% in België. Het dichtrijden van dit gat vereist, zo leert een kleine becijfering, 376.000 bijkomende jobs. Ook de sociale partners belijden steeds opnieuw dat een toename van de werkgelegenheid helemaal bovenaan hun verlanglijstje staat. Uit een verdere analyse en berekeningen van Trends blijkt nu dat regering én sociale partners dan ook alles op alles zouden moeten zetten om opnieuw op te klimmen tot de bedrijfsrentabiliteit van de periode 1985-1991. Trends becijferde vroeger al dat de winstgevendheid van de bedrijven een belangrijke impact heeft op de evolutie van de werkgelegenheid in loondienst (Trends, 5 november 1998). De nieuwe gegevens van KBC laten toe om deze berekeningen te actualiseren. We hebben de analyse ook uitgebreid (*). Voor het geheel van de periode 1981-1998 is een econometrisch onderzoek verricht in drie stappen, waarbij de wijzigingen in de werkgelegenheid telkens de te verklaren variabele uitmaken. In de eerste stap gebruikten we enkel de wijzigingen in de bedrijfsrentabiliteit als verklarende factor. Dit leidt tot een verbluffend én statistisch erg significant resultaat: 76,5% van de veranderingen in de werkgelegenheid die in de periode 1981-1998 optraden, zijn te verklaren door wijzigingen in het rendement van het eigen vermogen, zoals vastgelegd in de KBC-studie. Grafiek 1 brengt het Siamese-tweelingsaspect van werkgelegenheid en bedrijfsrentabiliteit treffend in beeld. Een toename van het rendement van het eigen vermogen met 1%-punt verhoogt de werkgelegenheid met 8700 eenheden. In de periode 1992-1998 lag het rendement op het eigen vermogen gemiddeld op 7,2%, beduidend beneden de 10% van de periode 1984-1991. Indien in de afgelopen zeven jaar de rentabiliteit op 10% was behouden, dan zou de Belgische economie vandaag 167.400 banen rijker zijn. In de periode 1988-1991 lag de rentabiliteit op 12%. Handhaving van dit cijfer zou tegen eind 1998 zo maar eventjes 288.800 bijkomende jobs hebben opgeleverd. Naar Nederlands voorbeeld zou in het laatste geval het probleem van de werkloosheid tot het verleden behoren.In de tweede stap betrokken we de evolutie van de nominale loonkost in de analyse. Een toename met 1 % ervan kost direct 5000 jobs. Het duo rentabiliteit en nominale loonkosten verklaart 86,5% van de veranderingen in de werkgelegenheid. Maar vormt de loonkostevolutie op zich geen belangrijke determinant van de bedrijfsrentabiliteit, zodat we twee keer ongeveer hetzelfde meten in de schattingen? Uit de statistische analyse blijkt dat die impact op korte termijn zeer beperkt uitvalt. Op langere termijn speelt het effect van de evolutie van de nominale loonkosten echter wél op het rendement. De analyse toont aan dat verbetering van de rentabiliteit, voortvloeiend uit loonmatiging, een soort cumulatief effect teweegbrengt op de werkgelegenheid.Een voorbeeld ter illustratie: stel dat het rendement op het eigen vermogen gedurende elk van de zeven jaren van de periode 1992-1998 2%-punt hoger zou hebben gelegen dan nu het geval was. De werkgelegenheid zou dan eind 1998 121.000 eenheden hoger zijn uitgekomen. De econometrische analyse toont echter aan dat indien deze rentabiliteitsverbetering vooral gedragen wordt door een matiging in de nominale loonkost, de werkgelegenheidstoename dan zelfs op 156.600 zou uitkomen. Tabel 4 geeft een en ander weer.De derde trap in de analyse betrof het integreren van de conjunctuurevolutie, zoals weergegeven door de evolutie van het reële bruto binnenlands product (BBP) en dit met één jaar vertraging. Verrassend genoeg brengt de toevoeging van deze variabele nog maar weinig bij inzake de verklaring van de evolutie van de werkgelegenheid van loontrekkenden over de periode 1981-1998. Met de conjunctuur erbij verhoogt de verklaringskracht van het model van 86,5% naar 90%. Deze resultaten blijven qua robuustheid volledig overeind indien de overheidsbedrijven niet worden meegeteld in het totaal. Terwijl zijn Britse en Duitse collega's Tony Blair en Gerhard Schröder initiatieven in de richting van de fameuze derde weg lanceren, maakt de Franse eerste minister Lionel Jospin zich erg boos over winstgevende bedrijven die zich bezondigen aan "schandelijke" ontslagen. Jospins uitval is natuurlijk vooral bedoeld voor politieke consumptie in zijn coalitie van socialisten, communisten en groenen. Maar toch plaatst hij zich met die opmerking opnieuw bij het type van socialisme en syndicalisme waarvan men, bij de aanvang van de 21ste eeuw, dacht dat het op de schroothoop van de fundamenteel foute inschattingen lag. De jongste cijfers van KBC over de bedrijfsrentabiliteit en de eigen berekeningen van Trends omtrent de band tussen die rentabiliteit en de werkgelegenheid, tonen overduidelijk aan dat elk zinvol werkgelegenheidsbeleid alleen maar kan starten met initiatieven die de rentabiliteit verstevigen. Mensen die het 'Jospinisme' aanhangen - in de Waalse PS en de groene partijen lopen die nog met bosjes rond - gewagen te snel van cadeaus aan de bedrijven indien de overheid maatregelen neemt om de winstgevendheid van ondernemingen te verbeteren. Zulke cadeaus bestaan niet. Het is de onzichtbare hand van Adam Smith die ondernemingen verplicht, goedschiks of kwaadschiks, om die 'cadeaus' om te zetten in echte, tastbare geschenken voor werkzoekenden. (*) De details van deze berekeningen zijn beschikbaar op de website van Trends: www.trends.beguy clémer johan van overtveldt