Professor Koenraad Debackere (51) houdt al meer dan twee decennia een pleidooi voor meer innovatie. Hij doet dat als hoogleraar aan de faculteit Economie, maar ook als gedelegeerd bestuurder van KU Leuven Research & Development. Het verdict van Debackere over een nakende stilstand in de grote innovatiegolf? "Onzin", zucht de immer minzame Debackere. "Ik moet daarbij denken aan de baas van het Amerikaanse octrooibureau. Die beweerde in 1890 dat alles al was uitgevonden. Hoe verkeerd die boutade was, is intussen wel gebleken. In die zin geloof ik ook niet in doemscenario's over innovati...

Professor Koenraad Debackere (51) houdt al meer dan twee decennia een pleidooi voor meer innovatie. Hij doet dat als hoogleraar aan de faculteit Economie, maar ook als gedelegeerd bestuurder van KU Leuven Research & Development. Het verdict van Debackere over een nakende stilstand in de grote innovatiegolf? "Onzin", zucht de immer minzame Debackere. "Ik moet daarbij denken aan de baas van het Amerikaanse octrooibureau. Die beweerde in 1890 dat alles al was uitgevonden. Hoe verkeerd die boutade was, is intussen wel gebleken. In die zin geloof ik ook niet in doemscenario's over innovatie. Zulke voorspellingen steunen op retrospectieve studies en houden geen rekening met nieuwe evoluties. Ik denk bijvoorbeeld aan de ongekende mogelijkheden van neuro-elektronica of regeneratieve geneeskunde waarbij we organen kunnen laten groeien." "Eigenlijk ben ik nogal optimistisch. Aan de ene kant is er de technologische vooruitgang, maar innovatie is veel breder dan technologie. Ook diensten en nieuwe gedragspatronen bieden mogelijkheden. En dan is er nog de groeiende wereldbevolking. Uiteindelijk zijn innovatie en technologieontwikkeling een gevolg van creativiteit. Door de toename van de wereldbevolking stijgt vanzelfsprekend de kans op nieuwe doorbraken." "Europa wordt dus niet minder innovatief, maar ziet zich geconfronteerd met continenten die in opmars zijn. Als Europa vandaag 23 procent van de wereldeconomie uitmaakt, dan is dat binnen tien jaar misschien slechts 17 procent, maar wel van een grotere taart. Daarom kunnen we meer innovaties uit groeilanden enkel toejuichen." "Eigenlijk komt het grootste gevaar van de overheid. Als de overheden door strengere regels de dynamiek uit de markt halen, stokt uiteindelijk de innovatiemotor. Innovatie komt voornamelijk van bedrijven. Vlaanderen doet het niet slecht: er zijn sterke en minder sterke bedrijven, maar we horen wel degelijk tot de topregio's voor innovatie. En dat geldt ook voor onze universiteiten. Centra als imec en VIB hebben een goede kritische massa." "Ook de stelling dat we geen productiviteitsmarge meer hebben, verdient enige nuancering. Ik geloof best dat in bepaalde sectoren de citroen uitpersen moeilijker wordt, maar net zo goed zijn er andere sectoren -- gezondheidszorg, transport, mobiliteit -- waar het laaghangende fruit nog moet worden geplukt. Bovendien is het effect van technologische vernieuwing soms niet meteen zichtbaar. Zo was het in de jaren zeventig en tachtig bon ton om te zeggen dat de IT-revolutie weinig productiviteitsstijging bracht. Intussen werd die winst duidelijk. Je moet dus ook rekening houden met de tijd die een innovatie nodig heeft om naar het economische systeem door te sijpelen." "Als er één achilleshiel is voor toekomstige innovaties, dan is het wel de beschikbaarheid van risicokapitaal. In het kielzog van de financiële crisis dreigt de drang om de risico's aan banden te leggen, de ademruimte in die sector te fnuiken." R.B.