Op de Olympische Spelen in Londen behaalde België vier jaar geleden drie medailles: één keer zilver, twee keer brons en elf andere plaatsen in de top acht. "Dat resultaat was ondermaats. Per capita en rekening houdend met de welvaart van ons land hadden we meer medailles moeten halen", zegt professor Veerle De Bosscher (VUB), die gespecialiseerd is in topsportbeleid. Ze coördineerde een internationaal onderzoek naar de succesfactoren voor topsport. "De Olympische Spelen in Rio zijn een kentering voor België, denk ik."
...

Op de Olympische Spelen in Londen behaalde België vier jaar geleden drie medailles: één keer zilver, twee keer brons en elf andere plaatsen in de top acht. "Dat resultaat was ondermaats. Per capita en rekening houdend met de welvaart van ons land hadden we meer medailles moeten halen", zegt professor Veerle De Bosscher (VUB), die gespecialiseerd is in topsportbeleid. Ze coördineerde een internationaal onderzoek naar de succesfactoren voor topsport. "De Olympische Spelen in Rio zijn een kentering voor België, denk ik." Vlaanderen spendeerde de voorbije vier jaar 85 miljoen euro om de topsport een duw in de rug te geven. "Daarbij is alles inbegrepen, van de begeleiding van jonge talenten tot de deelname aan de Olympische Spelen", zegt Paul Rowe, de algemeen directeur van Sport Vlaanderen, die verantwoordelijk is voor de afdeling Topsport. "Dat is een relatief bescheiden budget, kleiner dan de budgetten van voetbalclubs als Anderlecht en Club Brugge, en veel kleiner dan de budgetten voor topsport van buurlanden als Groot-Brittannië, Duitsland, Frankrijk en Nederland. We proberen er verstandig mee om te springen." Wallonië en Brussel gaven over die periode 72 miljoen euro uit, leert navraag bij de Franstalige tegenhanger, Administration de l'Education Physique et des Sports (Adeps). Meer geld investeren in sport biedt geen garantie op succes. De Bosscher onderscheidt negen pijlers die de prestaties van topsporters beïnvloeden, waaronder de organisatie en de structuur van het beleid, de financiële ondersteuning en de infrastructuur. België scoorde van 2009 tot 2012 gemiddeld op die pijlers, maar toch lagen de prestaties van de Belgische sporters onder het gemiddelde. "Ons land investeerde minder in topsport dan de meerderheid van de vijftien landen die we opnamen in onze vergelijking", zegt De Bosscher. "Vooral de kwaliteit en de beschikbaarheid van trainingsfaciliteiten is een pijnpunt. Of je nu een groot of een klein land bent, het kost natuurlijk evenveel om infrastructuur voor topsporters te bouwen." Op de vraag of olympische prestaties ook meer mensen aan het sporten zetten, is er discussie. Rowe: "Je hebt believers en non-believers, maar mij maak je niet wijs dat sportkampioenen niet inspireren. Iedereen die in de zomer een berg op fietst, denkt aan de grote wielerkampioenen." De Bosscher zegt dat er voorlopig geen wetenschappelijk onderzoek over bestaat. "We hebben een Kim Clijsters-effect gezien. Haar prestaties deden het aantal leden van de Vlaamse tennisclubs stijgen met 40 procent. Er gebeurt iets soortgelijks in de Belgische hockeyclubs sinds de deelname van de Red Lions aan de Spelen in Peking. Het succes van de Belgische volleybalvrouwen, die nipt hun selectie voor de Spelen hebben gemist, heeft niet tot meer inschrijvingen geleid. Ik vermoed dat er vooral een effect is voor sporten die minder populair zijn." De Bosscher deed zelf onderzoek naar het verband tussen het sportbeleid en de prestaties van atleten. "Landen die in verhouding tot hun uitgaven voor topsport beter dan gemiddeld presteren - zoals Nederland, Australië, Japan, Canada en Zwitserland - scoren ook het best op de organisatie en de structuur van het beleid. Sinds 2004 is Vlaanderen strategisch beginnen te investeren in topsport. Wallonië heeft nog wat in te halen op dat gebied. Maar beleid heeft tijd nodig: tien à vijftien jaar. We beginnen de eerste effecten te zien." Sinds 2004 stelt Vlaanderen Topsportactieplannen op voor elke olympische cyclus. "We zijn aan het eind van het derde Topsportactieplan", zegt Rowe. "Na de Olympische Spelen wordt de balans opgemaakt en een nieuw actieplan voorgesteld." In 2004 ontstond ook Be Gold, dat projecten steunt om jong sporttalent te ontdekken. De atleten worden begeleid op middellange en lange termijn, met als doel een top acht op de Olympische Spelen te halen. Nafi Thiam, die in Rio goud won in de zevenkamp, maakte sinds 2010 deel uit van zo'n Be Gold-project. De Vlaamse, Franstalige en Duitstalige gemeenschap geven 740.000 euro, 500.000 euro en 10.000 euro financiering aan Be Gold. Dat budget wordt verder aangevuld met geld van de Nationale Loterij (1,1875 miljoen euro) en het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC). Landen als Denemarken en Nederland zijn al dubbel zo lang als België strategisch met sport bezig. "We hebben de voorbije tien jaar enorme sprongen gemaakt, maar het mag nog wat sneller gaan. Zoals de voormalige Nederlandse atletiekcoach Charles Van Commenée het zei: in topsport presteer je morgen niet met wat gisteren gebruikelijk was." Greg Van Avermaet en Nafi Thiam krijgen voor hun gouden medaille op de Olympische Spelen een premie van 50.000 euro. Pieter Timmers strijkt 30.000 euro op voor zijn zilveren medaille, en Dirk Van Tichelt en Jolien D'Hoore 20.000 euro voor hun bronzen plak. Ook een olympisch diploma levert nog een aardig bedrag op. Voor een vierde plaats is er een troostprijs van 10.000 euro. Voor een vijfde tot en met een achtste plaats krijgen atleten 5000 euro. "Bruto is in dit geval netto", zegt Wouter Coppens, vennoot van EY Personal Tax Services. "België heeft een dubbelbelastingverdrag afgesloten met Brazilië, waarin staat dat de inkomsten van sportbeoefenaars worden belast in het land waar de prestatie wordt geleverd, ongeacht waar de betaling gebeurt. De premies die het BOIC geeft aan onze kampioenen zijn dus in principe belastbaar in Brazilië. Maar dat land kende, net zoals Groot-Brittannië vier jaar geleden, een vrijstelling toe aan sporters die deelnemen aan de Olympische Spelen. Het verdrag stipuleert niet dat België belastingen kan heffen als Brazilië dat niet doet, en dus zijn de premies belastingvrij." Coppens wijst erop dat het gaat om een vrijstelling met een progressievoorbehoud. "De Belgische fiscus telt die olympische premies wel mee om het belastingtarief op de andere inkomsten van de sporter te bepalen. Ze kunnen er dus toe leiden dat zijn andere inkomsten in een hogere belastingschijf belanden." De beloningen voor de ploegsporters zijn veel kleiner. De Belgische hockeyspelers houden ieder 7500 euro over aan hun zilveren medaille en hadden 12.500 euro kunnen verdienen met goud. Voor brons zouden ze 5000 euro hebben gekregen. Het BOIC betaalt die premies, maar het geld komt van het Fonds Baillet Latour, dat wordt gespekt met dividenden van 's werelds grootste brouwersgroep, AB InBev (zie kader AB InBev-fonds beloont kampioenen). België doet daarin niet onder voor de buurlanden. In Frankrijk krijgen de winnaars van een gouden medaille eveneens een bonus van 50.000 euro. In Nederland bedraagt het prijzengeld voor goud 25.500 euro en in Duitsland 20.000 euro. Groot-Brittannië geeft geen extraatjes voor medailles. De Verenigde Staten leveren veruit de meeste olympische kampioenen, maar reiken een beloning van 22.500 euro uit. De Amerikaanse sporters moeten daar bovendien nog inkomstenbelastingen op betalen. Volgens professor De Bosscher is de hoogte van die bonussen niet het belangrijkste. Ze merkt op dat Brazilië de vergoedingen voor zijn medaillekandidaten fors heeft verhoogd om hen extra te motiveren, maar dat het aantal medailles van het gastland desondanks teleurstelt. "Het is wel belangrijk dat sporters zich voltijds met hun sport kunnen bezighouden en dat ze daarvoor een loon krijgen. In Vlaanderen kunnen sporters die aan de criteria voldoen sinds 1995 een contract krijgen bij Sport Vlaanderen. Brusselse en Waalse sporters kunnen voor een soortgelijk contract aankloppen bij de Franstalige tegenhanger, Adeps." "Die lonen zijn degelijk. In Nederland krijgen meer sporters een loon van de overheid, maar dat zijn minimumlonen. Loïck Luypaert, die deel uitmaakt van de Red Lions en lichamelijke opvoeding en bewegingswetenschappen studeert aan de VUB, zei me onlangs nog: 'Wij hebben alles wat we nodig hebben om ons optimaal voor te bereiden op grote toernooien en te presteren'" (lees ook kader Sporten is duur). Nafi Thiam, Pieter Timmers, Jolien D'Hoore, Dirk Van Tichelt en ongeveer de helft van de Belgische hockeyspelers in Rio liggen onder contract bij Sport Vlaanderen of Adeps, en verdienen evenveel als ambtenaren met hetzelfde diploma. Anders kunnen zij niet leven van hun sport. Wielrenner Greg Van Avermaet verdient wel goed bij BMC Racing Team, dat wordt gesponsord door de gelijknamige Zwitserse racefietsenconstructeur. Hij kan dan ook geen aanspraak maken op een contract bij Sport Vlaanderen. In totaal hebben 29 topsporters een voltijds contract bij Sport Vlaanderen en worden 22 topsportstudenten deeltijds betaald. Op die laatste lijst staan onder meer zwemmers uit de estafetteploegen in het zwemmen en een hockeyspeler. De lijst van atleten met een contract bij Adeps bevat 47 namen, waaronder die van Thiam. Daarnaast hebben acht atleten een gesubsidieerd contract bij het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, onder wie de drie Borlées en de hordeloopster Anne Zagré. Stéphane Dehombreux, die verantwoordelijk is voor topsport bij Adeps, laat weten dat de contracten voor topsporters de overheid ongeveer 1,8 miljoen euro per jaar kosten, of een tiende van het totale budget voor topsport. "De bedoeling van die contracten is dat we sporters helpen de stap te zetten van een plaats in de top acht op een Europees Kampioenschap naar de wereldtop, met als hoogste doel een medaille op de Olympische Spelen", legt Paul Rowe uit. "De sporters krijgen die contracten niet zomaar. Ze moeten voldoen aan strenge criteria en ze moeten voldoende ambitie hebben. Een contract is de sluitsteen van een begeleidingstraject. Het zijn doorgaans contracten van één jaar, waarin we in onderling overleg doelstellingen opnemen voor de topsporter. Voor Pieter Timmers ging het bijvoorbeeld over een finaleplaats in Rio." Als de sporters hun doelstellingen niet halen, wordt het contract in principe niet verlengd. Rowe: "We evalueren elk jaar de prestaties van de sporters, want de plaatsen zijn beperkt. We kunnen wel delibereren, als er een goede reden is waarom de doelen niet bereikt zijn." De sporters worden betaald volgens de barema's van Vlaamse ambtenaren. Dat betekent dat ze meer verdienen als ze een diploma hebben. "We willen topsporters aanmoedigen een diploma te halen." "Als we sport echt belangrijk vinden, moeten we er nog meer in investeren", zegt De Bosscher. "Ik betaal 300 euro lidgeld per jaar voor de aansluiting van mijn kinderen bij de volleybalclub en slechts 60 euro voor de muziekschool. De overheid investeert vier keer meer in cultuur dan in sport. Daar komt nog eens bij dat sportclubs zich verplicht zien hun lidgelden altijd maar op te trekken, omdat de gemeenten steeds hogere kosten doorrekenen voor het gebruik van infrastructuur. Ik zeg niet dat cultuur minder steun moet krijgen, maar sport moet wel meer krijgen." Volgens De Bosscher heeft sport een maatschappelijk belang en moet de overheid dat meer erkennen. "We weten dat veel jongeren op 12 of 13 jaar stoppen met sporten. Dat skateboarden een olympische discipline wordt, is een fantastische kans. Leg massaal skateparken aan om die tieners aan het sporten te houden. Skaten sluit aan bij hun leefwereld en je investeert mogelijk in een toekomstige olympische kampioen." ILSE DE WITTE"Mij maak je niet wijs dat sportkampioenen niet inspireren. Iedereen die in de zomer een berg op fietst, denkt aan de grote wielerkampioenen" - Paul Rowe, Sport Vlaanderen "Sinds 2004 is Vlaanderen strategisch beginnen te investeren in topsport. Maar beleid heeft tijd nodig: tien à vijftien jaar" - Veerle De Bosscher, VUB