De vakbonden van de bouwvakkers eisen 7% loonsverhoging. En wel zo vlug mogelijk. De meeste andere sectoren houden het voorlopig nog bij een "substantiële verhoging van de koopkracht". Wie bij die uitdrukking nog illusies heeft - en werkgeversonderhandelaars hebben die al lang niet meer - kan er de conclusie van de ACV-onderhandelaars uit de verschillende sectoren op nalezen: de 7% die in de loonnorm staat is geen maximum. "De loonnorm is een richtsnoer, géén gebod."
...

De vakbonden van de bouwvakkers eisen 7% loonsverhoging. En wel zo vlug mogelijk. De meeste andere sectoren houden het voorlopig nog bij een "substantiële verhoging van de koopkracht". Wie bij die uitdrukking nog illusies heeft - en werkgeversonderhandelaars hebben die al lang niet meer - kan er de conclusie van de ACV-onderhandelaars uit de verschillende sectoren op nalezen: de 7% die in de loonnorm staat is geen maximum. "De loonnorm is een richtsnoer, géén gebod." Tot nu toe bleef de discussie in de sectoren beperkt tot het uitwisselen van de 'eisenbundels' van de vakbonden en de 'prioriteitenlijsten' van de werkgevers. Een lezing van de vabondseisen leert dat de onderhandelingen klassiek zullen verlopen. De koopkracht staat weer vooraan. Dat blijkt ook uit een enquête die het uitzendbureau Randstad Interlabor heeft uitgevoerd bij 4000 werknemers. Wat bindt u het meest aan uw bedrijf? Salaris, was het antwoord (zie tabel: Fidelisering werknemers). En dat hoopt men nu te kunnen verhogen. Tijdens de interprofessionele onderhandelingen van eind vorig jaar werd de loonnorm vormgegeven. Officieel ligt die op een verhoging van 6,4% voor de periode 2001-2002. Daarnaast werd de volledige betaling van het dubbel vakantiegeld overeengekomen. Dat kost 0,2% extra. Bovendien kan er in sectoren "die het goed doen" nog eens 0,4% bijkomen. Samen betekent dat 7%. De koopkrachtverhoging moet er volgens de bonden op een klassieke manier komen: x frank per uur erbij. Over financiële participatie van de werknemers en aanvullende pensioenen wordt weinig gerept. Dat de regering nog niet klaar is met het wetgevende kader daarvoor en dat de vakbonden niet om financiële participatie staan te springen is wellicht een verklaring. Bovendien kan dat altijd nog later op ondernemingsvlak worden aangekaart, want het interprofessioneel akkoord heeft bepaald dat deze systemen buiten de loonnorm mogen worden gehouden. Het ACV heeft intern afgesproken om eerst de loonmarge zo goed mogelijk uit te putten alvorens te onderhandelen over financiële participatie en/of aanvullend pensioen.Betaald ziek zijnOpvallend zijn de eisen van de vakbonden die verband houden met het statuut arbeider-bediende. Het gaat om de verhoging van de opzeggingstermijnen voor arbeiders, maar vooral om het afschaffen van de carenzdag (de eerste dag ziekte van een arbeider moet hij zelf betalen, in tegenstelling tot een bediende). Dat kan vrij delicate situaties opleveren, omdat op interprofessioneel vlak beslist werd deze thematiek te bevriezen. De werkgevers willen zich daar ook aan houden, ook al werd in de chemiesector daarvan al meteen afgeweken. In het eerste en tot nu toe enige voorakkoord dat werd bereikt, wordt de eerste ziektedag in de periode 1 april 2001 tot eind 2002 vergoed, de volgende ziektedagen blijven onvergoed.Aan werkgeverszijde kan men de eisen samenvatten als volgt: de loonnorm moet worden nageleefd, het statuut arbeider-bediende komt niet ter sprake en er moet een aantal eisen rond flexibiliteit worden ingewilligd. De werkgevers willen bijvoorbeeld het systeem van de overuren aanpakken. De middenstandsorganisatie - 'ondernemersorganisatie' horen ze zelf liever - Unizo heeft voorgesteld om de overuren vrij te stellen van sociale lasten. De vakbondsreactie laat zich raden. Ook een soepele interpretatie van het maximum aantal overuren per jaar en de individuele bespreking van die regelingen tussen werkgever en werknemer (in plaats van via een collectieve arbeidsovereenkomst) kan - zacht uitgedrukt - niet op het enthousiasme van de vakbonden rekenen. De sectorale onderhandelingen zullen zeker uitdraaien op een strijd tussen de looneisen van de vakbonden en de flexibiliteitseisen van de werkgevers. Het eindresultaat zou wel eens kunnen zijn: geen flexibiliteit en een loonstijging die binnen de norm blijft. Ook al zal dat laatste zelfs in deze trade-off erg moeilijk zijn. De wens tot koopkrachtverhoging is immers erg sterk. De regering beloofde vorig jaar hemel en aarde (herinner u de belastingverlaging), maar het werd uiteindelijk niet veel meer dan een sneetje droog brood. De overheid geeft momenteel bovendien het slechte voorbeeld met allerlei loonsverhogingen: het begon vorig jaar met de non-profit, het ging verder met de politie en rijkswacht, nu het onderwijs en de vervoersmaatschappijen. Het heeft een sfeer van "vragen staat vrij" gecreëerd. De overheid heeft overigens ook het slechte voorbeeld gegeven door de federale ambtenaren de mogelijkheid te geven op 55 jaar vervroegd uit te treden. Het gaat om 5% van de federale ambtenaren. Een fantastisch signaal van een regering die de verhoging van de activiteitsgraad hoog in het vaandel heeft geschreven. Het kan de vakbonden dan ook moeilijk euvel geduid worden dat ze het behoud van het brugpensioen eisen in bijna alle sectoren. Soms wordt er zelfs een verbetering van de eraan gekoppelde uitkeringen gevraagd.Voorbeeldige sectorKijken we even naar twee belangrijke sectoren die steeds toonaangevend zijn geweest voor onderhandelingen in andere sectoren: metaal voor de arbeiders en het paritair comité 218 voor de bedienden.In de metaalindustrie heeft vandaag, donderdag 15 februari, een belangrijke vergadering tussen werkgevers en vakbonden plaats. De vakbondseisen worden omschreven als "uit de oude doos". Koopkracht is het kernthema. Waar staat de sector? De beroepsfederatie Agoria - het vroegere Fabrimetal - berekende dat voor de periode 1999-2000 België in de metaalsector net onder de loonontwikkeling van de drie buurlanden (Frankrijk, Duitsland en Nederland) bleef. Voor de volgende twee jaar zou Duitsland met slechts 5,5% vooruitgaan, Nederland met 7%, Frankrijk met 4,5% in 2000 en een onbekend cijfer in 2001. Conclusie van Agoria-topman Paul Soete: "We moeten tussen de 5,5% en de 7% uitkomen". Naast de koopkracht hechten de vakbonden nogal wat belang aan het behoud van de brugpensioenregeling en aan het verbeteren van het statuut van de arbeiders door het verlengen van de opzegtermijnen en het sluiten van een cao over de carenzdag. Vooral de socialistische bond heeft van dit laatste een strijdpunt gemaakt.Merkwaardig genoeg staat het statuut van de werknemer ook op de prioriteitenlijst van de werkgevers. Agoria wil namelijk een aantrekkelijk statuut uitbouwen om meer jongeren warm te maken voor de sector. Of de invulling van dit statuut op dezelfde manier zal gebeuren door werkgevers en vakbonden valt echter te betwijfelen.Bij de bedienden wordt in het 'Aanvullend nationaal paritair comité voor de bedienden' - dat 330.000 bedienden groepeert die niet onder een apart sectorgebonden paritair comité vallen - ook de nadruk gelegd op de koopkracht, zonder een percentage te noemen. Behoud van het brugpensioen op 58 jaar wordt een heikel thema, want de werkgevers hebben daar nogal wat problemen mee. Ook omstreden kan het voorstel worden om de verplaatsingskosten tot 100% terug te betalen, ook voor privé-vervoer. Ten eerste is dat nagenoeg een verdubbeling van de terugbetaling, ten tweede druist het in tegen het interprofessioneel akkoord om het openbaar vervoer te steunen door een verhoogde terugbetaling.IndextrucDe liberale vakbond bevestigde afgelopen maandag de onderhandelingen over een 'indextruc'. In sommige sectoren zou gepraat worden over de invoering van een vast moment van indexering. Zo zou de indexering die in 2002 wordt verwacht pas begin 2003 worden doorgevoerd. Dat is na de cao-looptijd, waardoor er extra ruimte voor loonsverhogingen ontstaat binnen de periode 2001-2002.Zijn de werkgevers bereid die prijs te betalen voor een uitholling van het indexmechanisme dat België zo in het nadeel stelt ten opzichte van het buitenland? Misschien zou er op die manier toch nog een origineel lichtpunt kunnen opduiken in de voor het overige oerklassieke 'biefstukkenonderhandelingen'.Guido Muelenaer