2.183.159Dat is het juiste aantal Belgen dat zonder werk zit. Een pak meer dan bijvoorbeeld de bijna 1,4 miljoen werklozen die econoom Geert Noels op basis van recente RVA-cijfers wereldkundig maakte. Het gaat om ruim twee miljoen Belgen op arbeidsleeftijd (15-64 jaar) die niet aan de slag zijn én niet studeren. Dit betekent dat ongeveer een derde van de potentiële beroepsbevolking van zo'n 7,07 miljoen Belgen niet werkt.
...

2.183.159Dat is het juiste aantal Belgen dat zonder werk zit. Een pak meer dan bijvoorbeeld de bijna 1,4 miljoen werklozen die econoom Geert Noels op basis van recente RVA-cijfers wereldkundig maakte. Het gaat om ruim twee miljoen Belgen op arbeidsleeftijd (15-64 jaar) die niet aan de slag zijn én niet studeren. Dit betekent dat ongeveer een derde van de potentiële beroepsbevolking van zo'n 7,07 miljoen Belgen niet werkt. Hoe komen we aan dat cijfer? Om te beginnen moeten we uiteraard het aantal uitkeringsgerechtigde werkzoekenden in rekening nemen. Dat zijn de Belgen die recht hebben op een werkloosheidsuitkering, jongeren in hun wachttijd en ook de voltijds bruggepensioneerden die beschikbaar moeten zijn voor de arbeidsmarkt. In november 2009 ging het hier om in totaal 478.391 mensen. Bij die werklozen tellen we ook de tijdelijke werklozen. Het gaat hier om werknemers waarvan de arbeidsovereenkomst tijdelijk geschorst is en die een uitkering krijgen plus een toeslag van hun werkgever. Tijdelijke werklozen worden niet in de officiële werkloosheidsstatistieken opgenomen, maar kunnen moeilijk als actief op de arbeidsmarkt worden gecatalogiseerd. In totaal vielen in november vorig jaar 215.768 Belgen onder tijdelijke werkloosheid of aanverwante stelsels. Bovendien is er ook een groep op arbeidsleeftijd - tussen 15 en 64 jaar - die zich (tijdelijk of constant) ook niet aanbiedt op de arbeidsmarkt, maar dat in theorie wel zou kunnen doen. Die groep van inactieven is enorm groot. Het gaat om 32,9 procent van de bevolking op beroepsleeftijd of 2.327.000 inwoners van België. Uiteraard kunnen we deze groep niet in zijn geheel onderbrengen bij de reële werklozen. Het gaat hier om mensen vanaf 15 jaar en daar zitten heel wat studenten tussen. Vandaar dat het aantal inactieven in de niet-studerende bevolking een relevanter cijfer is. Volgens de Hoge Raad voor Werkgelegenheid gaat het om 1.489.000 personen. Tellen we daar dus het aantal werkzoekenden en tijdelijke werklozen bij, dan komen we uit op 2.183.159 reële werklozen of 30,8 procent van de niet-studerende bevolking op arbeidsleeftijd. Natuurlijk zitten in de groep van inactieven mensen die niet willen werken en het wellicht ook nooit zullen doen; zoals huisvrouwen, renteniers of blijvend arbeidsongeschikten. Maar het grootste aantal inactieven behoort wel degelijk tot de categorie van mensen die een job zouden kunnen uitoefenen. Daaronder vallen bijvoorbeeld de oudere werklozen (werklozen die zich niet meer moeten aanbieden op de arbeidsmarkt) en die in november vorig jaar met bijna 94.000 waren. Hun aantal is het jongste jaar wel gedaald met 4700. Anders is het gesteld met de bruggepensioneerden. Die waren in november vorig jaar met 116.803. Dat zijn er 2700 meer dan een jaar eerder. Nochtans was het de bedoeling van het Generatiepact om het brugpensioen minder aantrekkelijk te maken. Deze categorie mensen is trouwens definitief verloren voor de arbeidsmarkt. Er is wel nog een groep bruggepensioneerden die niet is vrijgesteld van inschrijving als werkzoekende, maar het gaat hier slechts om een groep van goed 2000 mensen. Een andere belangrijke categorie inactieven zijn de Belgen die vervroegd met pensioen gaan. Ook die categorie is definitief verloren voor de arbeidsmarkt (zie grafiek: Sociaaleconomisch statuut van de bevolking: opsplitsing volgens leeftijdsgroep). Van de 600.000 mensen tussen 60 en 64 jaar zijn er bijna 500.000 inactief. Dat betekent dat zo'n 83 procent niet meer beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Bij de 55-59-jarigen is dat zowat de helft. Bij de inactieven moeten we ook het legioen voltijdse loopbaanonderbrekers en vrijgestelden dankzij tijdskrediet tellen. In totaal gaat het hier om zo'n 70.000 inactieven. Het is altijd interessant om de studenten uit de statistieken te lichten bij de berekening van het aantal inactieven, maar arbeidsmarktspecialisten waarschuwen ervoor om deze populatie niet zomaar uit te sluiten uit de potentiële beroepsbevolking. Immers, in economisch moeilijke tijden kiezen jongeren er wel eens voor om een jaar langer te studeren omdat ze ervan uitgaan dat ze toch geen werk zullen vinden. Een extra jaar studeren kan nooit kwaad, maar hierdoor worden de werkloosheidscijfers meteen ook indirect opgesmukt. Bovendien zijn er in het buitenland veel meer jongeren die hun studies combineren met een baan terwijl dit in België amper het geval is. In internationale vergelijkingen worden de studenten daarom altijd meegeteld in de berekening van het aantal inactieven. De cijfers over de inactiviteit in België behoren in dat geval tot de hoogste van Europa. Zoals al vermeld bedraagt het aantal inactieven - studenten incluis - ten opzichte van de totale bevolking op arbeidsleeftijd 32,9 procent. Het Europese gemiddelde bedraagt 29 procent en de best scorende landen zoals Denemarken, Zweden en Nederland komen aan amper 20 procent. Enkel Italië, Griekenland en Luxemburg scoren slechter dan België. De Belgische cijfers zijn weinig hoopgevend. Ze impliceren dat zelfs bij een fors economisch herstel het aantal inactieven veel te hoog blijft. Als we uitgaan van de - weinig realistische - hypothese dat alle werkzoekenden een job vinden, dat de tijdelijke werkloosheid tot nul wordt herleid en voltijds tijdskrediet en loopbaanonderbreking verdwijnen, dan zit in België - studenten incluis - nog altijd 30 procent van de bevolking op arbeidsleeftijd zonder werk. Beperken we ons tot de niet-studerende bevolking dan komen we uit op 20 procent. Daarmee haalt België wel de Lissabon-doelstellingen (70 procent werkenden), maar het betekent dan wel dat er meer dan 500.000 banen moeten bijkomen. Door Alain Mouton