In 1956 lanceerde de bekende econoom J. K. Galbraith de termen 'big business', 'big labour' en 'big government'. Big government lijkt een feit. Nooit heeft de overheid op zo veel hulpmiddelen beslag gelegd als nu. Maar de burger heeft helemaal niet het gevoel dat zijn overheid big is, laat staan dat ze groots is. De overheid lijkt eerder het Michelin-mannetje: opgeblazen, onhandig, lomp en zeker niet efficiënt. De overheid zou ons veiligheid moeten bieden, banen, knappe infrastructuur, topcultuur, een gevoel van rechtvaardigheid. Maar almaar meer burgers oordelen dat de overheid op ongeveer alle vlakken faalt.
...

In 1956 lanceerde de bekende econoom J. K. Galbraith de termen 'big business', 'big labour' en 'big government'. Big government lijkt een feit. Nooit heeft de overheid op zo veel hulpmiddelen beslag gelegd als nu. Maar de burger heeft helemaal niet het gevoel dat zijn overheid big is, laat staan dat ze groots is. De overheid lijkt eerder het Michelin-mannetje: opgeblazen, onhandig, lomp en zeker niet efficiënt. De overheid zou ons veiligheid moeten bieden, banen, knappe infrastructuur, topcultuur, een gevoel van rechtvaardigheid. Maar almaar meer burgers oordelen dat de overheid op ongeveer alle vlakken faalt. Big labour. De vakbonden hebben de strijd om rechtvaardigheid op de werkplek al lang verloren. Na zovele jaren wordt duidelijk wat tussen 1950 en 1980 de grootste verdienste van de vakbond was: hij zorgde ervoor dat er voldoende druk op de ketel was om een grote middenklasse uit te bouwen. Miljoenen arbeiders, bedienden, verpleegkundigen en leerkrachten kregen toegang tot de consumptiemaatschappij. Een stabiliserende factor, die ook -- vooral in Europa -- de inwoners er diep van overtuigd heeft dat de maatschappij eindeloos zou zorgen voor wat gewoonlijk 'sociale zekerheid' heet. Hoe oud ik ook word, hoe vroeg ik ook met pensioen ga, ik zal altijd een redelijk inkomen hebben. Welke ziekte mijn gezin ook treft, nooit zal ik daardoor in de armoede sukkelen. De consumerende middenklasse zorgde voor een gevoel van vooruitgang en rechtvaardigheid. Iedereen kon meeprofiteren van de technologische vooruitgang en de economische groei. Als je een auto en een tv kunt kopen, word je niet snel een revolutionair. Maar de vakbonden moeten nu machteloos toezien hoe die middenklasse dreigt te verdwijnen door de manier waarop de wereldeconomie is georganiseerd. De houding tegenover big business is bijzonder cyclisch. Zodra een groot bedrijf niet meer investeert in een streek, schreeuwen we moord en brand. Renault en Ford waren weldoeners, maar dat inzicht komt pas als ze vertrekken. Big business is ook misdadig: denk aan Bhopal, Exxon Valdez en HSBC. Maar het moderne big business is veel vriendelijker. Het summum was dat miljoenen Apple-freaks weenden toen de stichter, een psychopaat, overleed. Apple is een godsdienst, een geloof, een kerk. En kerken mogen groot zijn. Een kleine kerk kan nooit door God gesteund zijn. Google, Amazon, Primark. Leuke bedrijven, onze vrienden. Juist, ze zijn soms niet leuk voor bepaalde groepen, zoals arbeidsters in Bangladesh, maar toch zijn het leuke bedrijven. Waarom? Omdat ze zo ondernemersgericht lijken. Want management is out, ondernemerschap is in. Ford is out, maar Top Gear is in. En volgens mijn zoon is Top Gear op zijn beurt weer bijna out. Er zijn weer nieuwe en nog sensationelere formats te vinden op het internet. We willen met zijn allen dus meer ondernemers. Dat is goed voor een samenleving. De overheid moet en zal het ondernemerschap stimuleren. We willen 'dynamisch kapitalisme', we prijzen 'de nieuwe ondernemerseconomie'. Management is saai, ondernemerschap is leuk. Maar we dreigen ook hier weer dezelfde fout te maken als bij management (met dank aan Tine Holvoet van Steunpunt Ondernemerschap en Regionale Economie voor dat inzicht). Ondernemers worden de helden van deze tijd. Geen gewone helden, maar superhelden. Mensen die over buitengewone gaven beschikken. Mensen die geniale inzichten en onwaarschijnlijke commerciële flair combineren met het heilige vuur dat alles verslindt. Startende ondernemers bevinden zich in een zwakke positie, ze hebben enkel een garage, worden geconfronteerd met ongeloof en onbegrip, een absoluut gebrek aan middelen, en eindeloze hindernissen, niet in het minst bureaucratische. Maar ze volharden, bereiken echt grootse dingen en worden dan achteraf nog eens slecht behandeld door de publieke opinie en de fiscus. Maar helpen we het echte ondernemerschap wel door de zaken zo voor te stellen? Net zoals er voor honderden goede keepers slechts één Thibaut Courtois is, zijn er naast elke Marc Coucke ook honderden ondernemers die het dynamische weefsel van onze economie moeten vormen. Laten we het beeld van de ondernemer dus ook maar menselijk en gewoon houden. En tegelijk stoppen met er in negatieve termen over te spreken, zeker in België. De auteur is professor-emeritus aan de Vlerick Business School. MARC BUELENSLaten we het beeld van de ondernemer maar menselijk en gewoon houden.