Hij is amper 36, maar mag zich al hoogleraar economie aan de vermaarde Princeton University noemen. Op zijn campus loopt hij geregeld collega's met een Nobelprijs voor de Economie tegen het lijf, zoals Paul Krugman en Christopher Sims. De Vlaming Jan De Loecker is erg ver gesprongen sinds hij in 2006 een doctoraat aan de KU Leuven behaalde. Toch bleef hij tot nu toe onder de radar in ons land.
...

Hij is amper 36, maar mag zich al hoogleraar economie aan de vermaarde Princeton University noemen. Op zijn campus loopt hij geregeld collega's met een Nobelprijs voor de Economie tegen het lijf, zoals Paul Krugman en Christopher Sims. De Vlaming Jan De Loecker is erg ver gesprongen sinds hij in 2006 een doctoraat aan de KU Leuven behaalde. Toch bleef hij tot nu toe onder de radar in ons land. De Loecker is gespecialiseerd in productiviteit en internationale handel, vooral op bedrijfsniveau. Geen wonder dat de Nationale Bank van België hem er graag bij wilde toen ze onlangs een ambitieuze conferentie organiseerde over een van de allergrootste economische uitdagingen voor België en Europa: productiviteit en concurrentiekracht. Een uitnodiging waar De Loecker graag op inging. "De Nationale Bank heeft al lang in de gaten dat de productiviteit in België aan het slabakken is en in sommige sectoren zelfs daalt", vertelt De Loecker in zijn kantoor in Princeton. "Het is goed dat beleidsmakers daar nu grondiger over willen nadenken en naar de data proberen te kijken. In welke sectoren zijn we competitief? Met welke landen concurreren we? In de VS is die interactie tussen onderzoek en beleid al veel meer ingeburgerd." JAN DE LOECKER. "Het belang van loonkosten wordt overdreven. Gemiddeld maken de loonkosten in België slechts 15 procent van de totale productiekosten uit. Belangrijker is de efficiëntie waarmee je produceert en welke goederen je op de markt brengt. Het gaat om innovatie en productiviteit. Het is goed de concurrentiekracht te willen verbeteren, maar als econoom moet je dan eerst de vraag stellen hoe we dat precies meten. Er bestaan vele maatstaven, elk met hun beperkingen. "Loonkosten zijn dan ook een fetisj voor Belgische bedrijven geworden. Dat komt deels omdat ze gemakkelijk te meten zijn. Je kijkt naar de loonevolutie van Duitsland en naar die van België en je berekent het verschil. Maar dat is al te sim-plistisch. Je hebt heel wat methodes om de concurrentiekracht te meten. Daarbij moet je ook beseffen wat de limieten zijn van het vergelijken van loonkosten tussen bijvoorbeeld twee bedrijven. Misschien heeft het ene bedrijf meer gekwalificeerde mensen in dienst, of heeft het een hogere productiviteit. "Je moet dus alle onderliggende factoren bekijken, zoals de productiviteit of de institutionele beperkingen. Voor dat laatste denk ik onder meer aan het Belgische sociaaloverlegmodel en de loonindexering. Er waren redenen om dat in te voeren." DE LOECKER. "Daarom proberen we nu ook samen met andere centrale banken van de Europese Unie te meten wat bedrijven net productief maakt. Maar de onheilstijdingen zijn soms nogal eenzijdig. Zo hoor je vaak dat de goedkope import uit China marktaandeel zal wegnemen van Belgische bedrijven. Het is juist dat er voor basisproducten scherpere concurrentie zal zijn. "Maar voor Belgische bedrijven die goedkopere Chinese importgoederen als grondstof in hun productieproces gebruiken, kan dat een positief effect hebben. Hun productiekosten dalen, wat zich vertaalt in een hogere winstmarge of een lagere prijs voor de consument, afhankelijk van de mate waarin bedrijven die kostendaling doorrekenen. De totale kostenreducties zijn in ieder geval groter dan de negatieve impact van Chinese concurrentie." DE LOECKER. "Textiel- en schoenenbedrijven zullen het op termijn moeilijk krijgen op Belgische bodem. Maar bedrijven die textiel als grondstof gebruiken, profiteren dan weer van lagere productiekosten. Een oplossing voor die eerste categorie is dat ze zich omvormen tot bedrijven die de goedkope Chinese import als input gebruiken, of anders dat ze actief worden in andere marktsegmenten." DE LOECKER. "De huidige groeivertraging kun je beschouwen als het bereiken van een plateau, met een bepaald niveau van welvaart. De Belgische economie heeft inderdaad al een significante transitie naar diensten gekend. Maar er is nog productiviteitsgroei mogelijk door het absorberen van IT-innovaties, die hun echte impact in de brede economie nog moeten tonen, zowel in consumententoepassingen als in de bedrijfswereld. "Dat impliceert wel dat onze huidige metingen van productiviteit niet accuraat zijn, want ze weerspiegelen niet hoe we bijvoorbeeld online prijzen kunnen vergelijken of restaurantrecensies lezen. Nochtans verhoogt dat de waarde van onze consumptie -- zelfs bij gelijke uitgaven -- door vraag en aanbod beter te matchen. Daar moet nog meer onderzoek naar gebeuren, al is het meten van input en output in dienstensectoren sowieso geen sinecure. Wat produceert een bank bijvoorbeeld?' DE LOECKER. "Ik weet niet of de regering daarvoor een plan kan opstellen. Ze kan misschien een beetje sturen met subsidies en proberen fricties weg te nemen die de groei belemmeren, bijvoorbeeld de vaststelling dat er in België tegelijkertijd veel werklozen en veel openstaande vacatures zijn. Slim pijnpunten identificeren, zeg maar. "Aan de andere kant heeft onze productiviteit altijd al onder druk gestaan. En de Belgische productiviteit is nog altijd hoog. Er zijn sectoren waarin we erg productief zijn. Het gevaar is echter dat productiviteit ver van ons bed ligt. We voelen het niet meteen, maar voor je het weet kamp je met een onevenwicht. We opereren in een globale markt. Ik denk bijvoorbeeld aan het hoger onderwijs, waarin Vlaanderen nu de middelen terugschroeft op een moment dat andere landen er zwaar in investeren. Zo riskeer je een snelle terugval." DE LOECKER. "België heeft nog altijd troeven, waarvan de toegang tot gratis onderwijs er zeker een is. De commotie over het optrekken van het inschrijvingsgeld naar 890 euro begrijp ik evenwel niet. In Princeton betaal je ruim 40.000 dollar voor één jaar onderwijs, terwijl dat enorme verschil in prijs zeker niet overeenkomt met het verschil in kwaliteit. Het inschrijvingsgeld in België blijft laag, al betalen we wel meer belastingen natuurlijk. Het is daarom misschien niet slecht dat de verhoging van het inschrijvingsgeld mensen even doet stilstaan bij de werkelijke kostprijs van ons onderwijs. Een verhoging heeft uiteraard ook sociale implicaties, maar die kan en moet je corrigeren via beurzen." DE LOECKER. "De Belgische economie bestaat voor driekwart uit export, dat is al een heel hoog niveau. Misschien moet dat niveau niet verder stijgen, maar moeten we wel de samenstelling veranderen van de landen waarnaar we exporteren. Daar zijn twee goede redenen voor: je kan als exporteur leren van nieuwe markten, en je kan marktaandeel winnen op nieuwe bestemmingen. Daarbij kan een klein marktaandeel soms een enorm verschil maken. "Een mooi voorbeeld van dat laatste zijn de producenten van Zwitserse kaas. Die kenden lange tijd een heel ingewikkeld systeem van quota en exportsubsidies om de vraag uit Frankrijk aan te zwengelen, met allerlei problemen van dien. Tot men besliste de aandacht op China te richten, waar in snel tempo een rijke bovenklasse aan het groeien is. Daar lagen de groeimogelijkheden: een klein marktaandeel in een enorme markt in plaats van te prutsen met kleine marges in een verzadigde markt als Frankrijk. België moet eens goed nadenken in welke sectoren het iets gelijkaardigs kan doen." DE LOECKER. "De vraag of export de performantie of productiviteit van een bedrijf verhoogt door te leren van buitenlandse klanten of concurrenten, is een fascinerende black box waar we dankzij recent onderzoek meer inzicht in krijgen. Het heeft ook belangrijke beleidsimplicaties, want je kunt je afvragen of overheden bedrijven actief moeten ondersteunen bij het aanboren van exportmarkten. Sowieso heeft België met zijn gewestelijke exportbevoegdheden een probleem om zich te profileren in het buitenland, want in de VS moet je niet proberen uit te leggen dat je Vlaamse en Waalse en Brusselse bedrijven hebt. "Voor de leereffecten is het land van oorsprong van een bedrijf van belang, alsook het land waarnaar het exporteert. Bedrijven in ontwikkelde en competitieve markten als Amerika of België kunnen minder leren door te exporteren naar bijvoorbeeld Argentinië, dan wanneer je zou kijken naar minder productieve bedrijven uit landen als Mexico, China of Polen die exporteren naar de VS, waar de eisen en dus de leereffecten relatief hoger liggen. "Dat speelt trouwens ook bij de strijd om het aantrekken van vestigingen van buitenlandse multinationals. Voor Poolse en Mexicaanse bedrijven kan de impact enorm zijn wanneer ze mogen leveren aan de veeleisende Amerikaanse multinational in hun land. Voor België -- dat al een hoge productiviteit kent -- is minder duidelijk wat de voordelen zijn. ' DE LOECKER. "Onderzoek over de Indiase economie leert dat op korte termijn de kapitaaleigenaars -- de bedrijven dus -- hun winstmarges enorm zien stijgen omdat ze kostenbesparingen slechts in zeer beperkte mate doorrekenen in lagere consumentenprijzen. De oorzaak is de grote marktmacht van die bedrijven, een gevolg van allerhande fricties die ervoor zorgen dat de concurrentie onvoldoende speelt. Dat is een opmerkelijk resultaat, want we dachten dat dankzij open internationale handel de prijzen in India zouden dalen. "De resulterende toenemende ongelijkheid heeft allerlei negatieve gevolgen, zowel sociaal als economisch. Maar die hogere kapitaalwinsten verbergen misschien wel compenserende fenomenen, zoals hogere lonen voor de werknemers of de investering van de winst in productinnovatie die de algemene welvaart verhoogt. Er is nog meer onderzoek nodig om dat in kaart te brengen." DE LOECKER. "De Verenigde Staten -- met hun quota voor liefst 12.000 producten -- zijn een goed voorbeeld. Neem de Amerikaanse staalindustrie: telkens wanneer de internationale staalprijzen dalen, grijpen Amerikaanse staalproducenten dat aan om een klacht over dumpingprijzen te lanceren omdat de marktprijs onder hun kostenniveau zou liggen. Ze krijgen dan vijf jaar bescherming. Als hun aanklacht achteraf niet blijkt te kloppen, betalen ze een vergoeding, maar intussen zijn ze wel vijf jaar beschermd geweest. "Het is gewoon allemaal politiek. Je kunt je afvragen of het nuttig is zo veel middelen te spenderen aan de bescherming van enkele producten. Maar er loert altijd wel een verkiezing om de hoek natuurlijk." DE LOECKER. "Het probleem is dat de voordelen van vrijhandel pas op langere termijn zichtbaar zijn, terwijl verkiezingen een kortere horizon hebben. Bovendien zijn de kosten van vrijhandel duidelijk zichtbaar -- denk maar aan bedrijfssluitingen -- terwijl voordelen zoals lagere prijzen minder duidelijk zijn. Ten slotte blijven de voordelen ongelijk verdeeld: tussen kapitaal en arbeid, tussen verschillende sectoren, tussen verschillende regio's in grote landen als de VS. Het is ook niet zo vanzelfsprekend om iemand die 20 jaar in een industrie heeft gewerkt zomaar om te scholen. "Uiteindelijk zou internationale handel over ontwikkelingslanden moeten gaan, zo stelt mijn vermaarde collega James Levinsohn van de Yale School of Management. Die landen hebben pas prangende problemen. Al is dat evenmin een gemakkelijke boodschap voor een westerse politicus." KRIS VAN HAMME, PRINCETON"In de VS moet je niet proberen uit te leggen dat je Vlaamse en Waalse en Brusselse bedrijven hebt" "Het probleem is dat de voordelen van vrijhandel pas op langere termijn zichtbaar zijn, terwijl verkiezingen een kortere horizon hebben" "België heeft nog altijd troeven, waarvan de toegang tot het onderwijs er zeker een is"