Waarom moet u deze onderzoeker kennen?

Hij is een van de meest mediagenieke alzheimerexperts in Vlaanderen. Nochtans studeerde Bart De Strooper af als arts en begon hij bijna toevallig aan zijn onderzoekerscarrière. "Ik ga graag om met patiënten, maar al tijdens mijn studie merkte ik dat ik me beter thuis voelde in het labo", vertelt De Strooper. "Iemand suggereerde mij te doctoreren en dat heb ik gedaan. Na mijn doctoraat legde ik mij op advies van mijn mentor Fred Van Leuven toe op alzheimer. Dat was geen vanzelfsprekende keuze, omdat de salarissen van onderzoekers lager waren dan die van dokters en omdat de meeste onderzoekers kozen voor kankeronderzoek."
...

Hij is een van de meest mediagenieke alzheimerexperts in Vlaanderen. Nochtans studeerde Bart De Strooper af als arts en begon hij bijna toevallig aan zijn onderzoekerscarrière. "Ik ga graag om met patiënten, maar al tijdens mijn studie merkte ik dat ik me beter thuis voelde in het labo", vertelt De Strooper. "Iemand suggereerde mij te doctoreren en dat heb ik gedaan. Na mijn doctoraat legde ik mij op advies van mijn mentor Fred Van Leuven toe op alzheimer. Dat was geen vanzelfsprekende keuze, omdat de salarissen van onderzoekers lager waren dan die van dokters en omdat de meeste onderzoekers kozen voor kankeronderzoek." Voor zijn 33ste wilde De Strooper een belangwekkende paper schrijven. Dat lukte met enige vertraging. Nadat hij een jaar stage had gelopen aan het European Molecular Biology Laboratory (EMBL) in Heidelberg, kende zijn onderzoek naar de rol van de presenilines in de ziekte van Alzheimer een doorbraak. Dat leidde aan het einde van de jaren negentig tot twee belangrijke publicaties in Nature. De Strooper bracht genetische basismechanismen in kaart die verantwoordelijk zijn voor de ziekte van Alzheimer. Meer specifiek ontdekte hij dat muizen waarvan het eiwit GPR3 genetisch wordt geblokkeerd, minder last krijgen van plaques die geheugenverlies veroorzaken bij alzheimer. Volgens de Hirsch-index, die de wetenschappelijke impact van onderzoekers in een formule giet, heeft Bart De Strooper een score van 104. Dat is hoog. Zijn reputatie is goed en hij kreeg al diverse prijzen. Vorige maand ontving hij de Brain Prize van de Deense Lundbeck Stichting. Dat is de belangrijkste internationale wetenschappelijke onderscheiding voor neurowetenschappers. "Eind jaren negentig was ik klaar om in het buitenland te gaan werken", zegt De Strooper. Zijn vrouw had echter een bloeiende huisartsenpraktijk en hij koos ervoor te blijven. "Ons land kende toen geen echt systeem om onderzoeksproffen te lanceren en hen voldoende budget te bieden om hun labo uit te bouwen. Gelukkig is in die jaren het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) opgericht en kreeg ik steun om mijn onderzoeksgroep uit te bouwen." De onderzoeksgroep van De Strooper telt 35 mensen en het onderzoeksbudget is 3 miljoen euro per jaar. Dat is ongeveer tien keer meer dan die eerste beurs van het VIB. Bovendien leidt hij aan het University College Londen een groep die dementie onderzoekt. Als hoofd van een onderzoeksgroep ziet Bart De Strooper raakvlakken met het leven van een ondernemer. Ook hij moet erop toezien dat de cashflow positief blijft en maken dat hij voldoende fondsen binnenhaalt. "Maar de essentie van wat ik doe, is net iets wat bedrijven niet doen. Anders zou basisonderzoek geen subsidies nodig hebben." Het neemt niet weg dat De Strooper een twintigtal octrooien op zijn naam heeft staan. En uiteraard biedt zijn basisonderzoek aanknopingspunten waarop farmaconcerns voortbouwen in hun zoektocht naar een geneesmiddel tegen alzheimer. "Wat wij doen, vergelijk ik al eens met wat de ontdekkingsreizigers deden. Colombus moest ook een financier vinden om Amerika te ontdekken; de goudzoekers die daarna kwamen zijn als de farmabedrijven die voortbouwen op onze ontdekkingen." "Ik krijg mijn ideeën als ik loop", zegt hij. "Maar mijn grootste doorbraak heb ik gekregen toen ik mij verveelde. Ik zat aan mij bureau na te denken, te lezen en e-mails te sturen. En ineens zag ik welk experiment ik moest doen." Hij vergelijkt dat met het creatieve van een beeldhouwer. "Die kan ook jaren rondlopen met een idee maar er niet aan beginnen tot hij weet of het in brons dan wel marmer moet zijn. Beslissen welk soort experiment ik moet doen om het juiste antwoord te vinden op een onderzoeksvraag, is een beetje hetzelfde. Dat kan tien jaar in mijn hoofd zitten, maar op eens komt de doorbraak en dan gaat het snel."