Er bestaat een welvaartsval, zo berekende Trends. Niet iedereen die méér werkt, verwerft ook meer koopkracht. Dat is geen sloganesk taalgebruik uit het huidige VLD-discours, maar de realiteit voor een deel van onze maatschappij. Die situatie ontstaat door een dubbele herverdeling van onze rijkdom.
...

Er bestaat een welvaartsval, zo berekende Trends. Niet iedereen die méér werkt, verwerft ook meer koopkracht. Dat is geen sloganesk taalgebruik uit het huidige VLD-discours, maar de realiteit voor een deel van onze maatschappij. Die situatie ontstaat door een dubbele herverdeling van onze rijkdom. In eerste instantie corrigeert ons welvaartsmodel inkomensongelijkheid via de belastingen. Dat heeft een belangrijk nivellerend effect. Zo staan de sociale lasten in verhouding tot het loon. Iemand met een salaris dat 30 % hoger ligt dan het uwe, zal evenredig meer sociale lasten betalen. In de personenbelasting draagt wie meer verdient zelfs procentueel meer bij. De belastingvoet stijgt met andere woorden naarmate het belastbare inkomen stijgt. Dat progressieve belastingtarief is het belangrijkste herverdelingsmechanisme in ons welvaartsmodel. Er is echter een tweede herverdeling. Via een selectie van premies en kortingen probeert de overheid de financieel minder gegoeden te ondersteunen op welbepaalde terreinen. Dat lukt erg goed. Uit onze rekenoefening (zie blz. 56) blijkt dat een koppel met een bescheiden inkomen in zijn levensloop kan rekenen op een rist subsidies voor kinderopvang, opleiding, gezondheidszorg en het verwerven van een eigendom. Die aanpak werkt, maar het mechanisme heeft als nevenwerking dat een stuk van de middenklasse ervoor opdraait. De betere middenklasse ziet de toegang tot premies en kortingen immers vaak versperd wegens een te hoog inkomen. Van dat inkomen moeten ze door progressief hogere bijdragen in de personenbelasting en door hogere sociale lasten meer afgeven aan de welvaartsstaat, waar ze vervolgens minder gebruik van kunnen maken. Hun koopkracht daalt op die manier onder het niveau van mensen die minder verdienen en wél in aanmerking komen voor talrijke subsidies. In een recent rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) mag België dan misschien lof krijgen omdat het zijn rijkdom beter verdeelt dan de meeste buurlanden, maar zo'n welvaartsval ondermijnt de bereidheid tot solidariteit. De vraag is immers: hoe ver moet die solidariteit gaan? Want bij overmatig gebruik ontaardt het solidariteitsprincipe in een vorm van sociale opoffering. Hoe moet je anders omschrijven dat er mensen zijn die harder werken dan hun buurman, meer afdragen aan de staat en er toch minder voor terugkrijgen? Als de oorzaak ligt in de dubbele herverdeling, is de oplossing dan het afschaffen van het premiestelsel? De SP.A promootte - onder impuls van Steve Stevaert - het gratisconcept als alternatief voor deze dubbele herverdeling. En daar valt wel iets voor te zeggen. Net zoals er iets te zeggen valt voor de koopkrachtverhoging via lastenverlagingen waar de VLD nu zo heilig in gelooft. Maar: deze nogal drastische ingrepen leiden tot minder overheidsmiddelen om onze welvaartsstaat te betalen. Niet wenselijk met een begroting die last heeft van evenwichtsstoornissen. Misschien is daarom de goedkoopste oplossing wel om de mechaniek zo te verfijnen dat ook de betere middenklasse meer toegang krijgt tot de premies en kortingen. Roeland Byl