Boston Consulting Group publiceerde recentelijk een rapport waarin ze nagaat of de banken de financiële crisis helemaal achter zich gelaten hebben. De consultant concentreerde zich op de tien grootste markten en de belangrijkste beursgenoteerde banken.
...

Boston Consulting Group publiceerde recentelijk een rapport waarin ze nagaat of de banken de financiële crisis helemaal achter zich gelaten hebben. De consultant concentreerde zich op de tien grootste markten en de belangrijkste beursgenoteerde banken. Wereldwijd klokte de bankindustrie 2010 af op een beurskapitalisatie van 7100 miljard dollar, dat is 10 procent meer dan eind 2009. Daarmee zet het herstel van de bankaandelen door, maar veel trager dan in 2009. Toen boekten de banken tezamen 55 procent beurswinst. "Voor velen is dit niet echt een verrassing", zegt Lars-Uwe Luther, co-auteur van de studie. "De heropleving na de crisis was opmerkelijk, maar grotendeels te verklaren door de forse terugval in 2008. Toen halveerde de beurskapitalisatie van de banken. Nu is er weer spra-ke van een genormaliseerde groei." Met een beurskapitalisatie van 7100 miljard dollar blijft de bankensector onder het niveau van voor de crisis. Eigenlijk zit de sector weer op het niveau van 2005, toen er 6700 miljard euro beurskapitalisatie was. In 2006 en 2007 steeg dat bedrag tot respectievelijk 8400 en 8700 miljard euro. De aandeelhoudersreturn (uitgedrukt in koerswinst en toename van de vrije cashflow) daalde van 47,1 procent in 2009 tot 6 procent vorig jaar. Dat is 9 procentpunten onder het gemiddelde van alle ondernemingen. Over een periode van vijf jaar (2006-2010) halen de banken een negatieve aandeelhoudersreturn van 1,9 procent, terwijl het industriële gemiddelde 5,3 procent positief is. De groeilanden komen duidelijk als een lichtpunt uit de studie. De hoogste aandeelhoudersreturns in de bankensector situeren zich in Latijns-Amerika, Centraal- en Oost-Europa, en het Midden-Oosten. Vijf van de tien grootste banken, uitgedrukt in marktkapitalisatie, komen uit groeilanden: vier uit China (ICBC, China Construction Bank, Bank of China en Agricultural Bank of China) en één uit Brazilië (Itau Unibanco). Die weelde is er ook in de breedte: elf van de dertig grootste banken zijn afkomstig of gefocust op de nieuwe groeimarkten. Nog opmerkelijk is dat de vier grootste Australische banken zich voor het tweede jaar op rij in de top 30 bevinden. Van de grootste tien bankmarkten presteert Canada het sterkst. De Canadese banken realiseerden in 2010 een aandeelhoudersreturn van 11 procent. Opmerkelijk is ook de verrassend sterke prestatie van de Britse en de Amerikaanse banken, die een aandeelhoudersreturn van respectievelijk 8,3 en 7,8 procent kunnen voorleggen. De auteurs van de studie schrijven de goede resultaten van de Amerikaanse banken echter vooral toe aan niet-recurrente factoren zoals het terugnemen van provisies. Het zwakst presteerden de banken uit Spanje en Italië. Zij verloren meer dan 24 procent aandeelhouderswaarde, vooral als gevolg van hun blootstelling aan nationale overheidsobligaties. Banco Santander blijft niettemin in beurskapitalisatie de grootste bank van continentaal Europa, en staat daarmee op de elfde plaats in de wereldranglijst. BNP Paribas volgt als grootste Franse bank op de vijftiende plaats. Maar er is ook goed nieuws: voor het eerst sinds het uitbreken van de financiële crisis is elk van de tien onderzochte bankmarkten rendabel; ze kunnen alle tien een positieve nettoreturn op eigen vermogen voorleggen. Zwitserland haalt de hoogste return op eigen vermogen: 16 procent, gevolgd door Canada en Australië. Enkel in Spanje ging de rendabiliteit omlaag en in Italië bleef ze stabiel. De grootste stijgingen in rendabiliteit waren voor de Japanse, Zwitserse en Amerikaanse banken. Niettemin blijft Spanje de meest rendabele bankenmarkt van de EU. De gemiddelde rendabiliteit op eigen vermogen bedraagt er 11,3 procent en koploper BBVA haalt zelfs 13,5 procent. In Frankrijk bedraagt de sectorreturn 8,3 procent; BNP Paribas is met 10,9 procent de meest rendabele. In Duitsland was er in 2010 gemiddeld 7 procent return, met als koploper Deutsche Bank (7,2 procent). "In het algemeen kun je stellen dat het voor de banken veel lastiger dan vroeger is om deze rendabiliteitsprestaties te behalen en te behouden", zegt Luther. De wereldwijde bankenwinsten mogen dan gestegen zijn met 130 procent, van 166 tot 386 miljard dollar, en de gemiddelde return op eigen vermogen verdubbeld van 4,8 procent in 2009 tot 9,6 procent in 2010. Daar staat tegenover dat het kapitaal met 8,6 procent vermeerderd is, tot 4200 miljard dollar. "De banken maakten in 2010 dus minder winst dan voor de crisis, terwijl hun kapitaalbasis sindsdien significant gegroeid is, van 2600 miljard dollar in 2006 tot 4200 miljard dollar vorig jaar, een toename met liefst 60 procent." De conclusie is voor Luther overduidelijk: de nieuwe 'normale' situatie voor de banken is dat de winstmarges een flink pak lager liggen in verhouding tot het geïnvesteerde kapitaal dan voor de crisis. "Dit toont aan dat de banken wel degelijk hun businessmodel aangepast hebben. Ze zijn voorzichtiger, nemen minder risico's en houden rekening met de groeiende regulering. Ik vermoed dat de banken hun inkomsten nog meer zullen zoeken in transacties en in fees, dan in complexe en risicovolle producten." Volgens Luther is alle leed echter nog niet geleden: "In sommige landen hebben banken nog altijd grote hoeveelheden toxische producten en probleemkredieten op hun balans staan. Tezelfdertijd zien die banken een heel pak regulering op zich afkomen. Dat creëert onzekerheid. Vooral de Basel III-normen zullen nieuwe druk op de rendabiliteit zetten, omdat ze strenge kapitaal- en liquiditeitsvereisten voor risicohoudende activa inhouden." PATRICK CLAERHOUT"De banken hebben hun businessmodel wel degelijk aangepast. Ze zijn voorzichtiger, nemen minder risico's en houden rekening met de groeiende regulering" Lars-Uwe Luther