Vanaf het aanslagjaar 2007 hebben vennootschappen recht op de nieuwe 'aftrek voor risicokapitaal', ook gekend als de notionele interest. Zij zullen het fiscale resultaat kunnen verminderen met een bepaald percentage van hun eigen vermogen. Dat percentage is voor het aanslagjaar 2007 3,442 %. Voor 'kleine' vennootschappen komt daar nog een half procentpunt bij: 3,942 %.
...

Vanaf het aanslagjaar 2007 hebben vennootschappen recht op de nieuwe 'aftrek voor risicokapitaal', ook gekend als de notionele interest. Zij zullen het fiscale resultaat kunnen verminderen met een bepaald percentage van hun eigen vermogen. Dat percentage is voor het aanslagjaar 2007 3,442 %. Voor 'kleine' vennootschappen komt daar nog een half procentpunt bij: 3,942 %. Als basis voor de notionele interest geldt het eigen vermogen zoals het vastgesteld is in overeenstemming met de boekhoudwetgeving. Met dien verstande dat het nog wel op een aantal punten gecorrigeerd moet worden. Zo moeten uitgedrukte maar nog niet verwezenlijkte meerwaarden afgetrokken worden. Hoger. Hoe hoger het gecorrigeerde eigen vermogen, hoe hoger de notionele interest. Het stond dan ook in de sterren geschreven dat zowat alle advieskantoren op volle toeren zouden draaien om te kijken of én in welke mate het eigen vermogen van hun vennootschappen/cliënten verbeterd kan worden. De klassieke manier om het eigen vermogen te verbeteren, bestaat erin vers risicokapitaal in te brengen. Of ervoor te zorgen dat de vennootschap winst maakt en de aldus geboekte winst in de vennootschap te behouden. Het is die verbetering van het risicokapitaal die de wetgever op het oog heeft gehad. In de parlementaire voorbereiding staat uitdrukkelijk te lezen dat de maatregel de "versterking van het eigen vermogen wil stimuleren."Maar niet alle vennootschappen zien de kans om vers risicokapitaal aan te trekken, en niet alle vennootschappen brengen het geduld op om te wachten tot hun eigen vermogen onder invloed van eigen winstgevendheid aandikt. En dus worden allerlei sluipwegen bewandeld en onderzocht om boekhoudkundig een hoger eigen vermogen tot uiting te brengen, zonder dat er eigenlijk vers geld aan te pas komt. De meest voor de hand liggende trucjes zijn gekend. Een voorbeeld: de verkoop (aan een andere groepsvennootschap) van activa die ter berekening van het gecorrigeerde eigen vermogen in mindering moeten worden gebracht. Constructies. Opvallend is dat er nu ook echte 'constructies' opduiken. Zo bestaat er binnen de cijferberoepen opvallend veel belangstelling voor een document waarin de vraag wordt gesteld in welke mate een sale-and-lease-backconstructie nuttig kan worden aangewend om het eigen vermogen op te krikken, om zo een hogere notionele interest te bereiken. Bij een 'sale-and-lease-back' verkoopt een vennootschap een bedrijfsactief (bijvoorbeeld een gebouw) aan een leasingmaatschappij, en ze neemt het vervolgens in leasing. Op het einde van de rit is het de bedoeling dat de vennootschap het bedrijfsgebouw opnieuw in volle eigendom verwerft. Zo'n constructie wordt daarom zowel op boekhoudkundig als op fiscaal gebied terecht als een kredietoperatie aangemerkt. Maak u geen illusies: zo'n constructie slaagt er niet in om het eigen vermogen (met het oog op de notionele interest) op relevante wijze te verhogen. De meerwaarde die bij de 'sale' wordt verwezenlijkt, moet immers in de overlopende rekeningen van het passief worden geboekt, en brengt dus geen onmiddellijke verhoging van het eigen vermogen tot uiting. Ook op termijn kan worden betwijfeld of een dergelijke operatie daar op betekenisvolle wijze in slaagt. Renting. Voor de tovenaars van het eigen vermogen ligt de oplossing voor de hand: geen 'sale-and-lease-back', maar wel een 'sale-and- rent-back', waarbij het verkochte gebouw niet in leasing wordt genomen (in de boekhoudkundige betekenis van het woord), maar wel gewoon wordt gehuurd. De meerwaarde bij de 'sale' mag dan boekhoudkundig onmiddellijk tot uiting worden gebracht. En brengt wel een betekenisvolle verhoging van het eigen vermogen tot uiting. Wat dan met de hoge registratierechten op de initiële verkoop van het bedrijfsgebouw? Dat lossen zij op door het gebouw niet te verkopen, maar het enkel in erfpacht te geven; dan is het registratierecht beperkt tot 0,20 %. Op zijn minst twee grote problemen dienen zich aan. Eén: wat doe je met de meerwaarde die gerealiseerd wordt bij de verkoop (of het in erfpacht geven) van het gebouw? Een gespreide belasting zou uitkomst moeten bieden. Maar de administratie eist daarvoor dat het actief volledig en definitief uit het vermogen van de vennootschap verdwijnt. Wat bij een erfpacht niet het geval is. Tweede en nog belangrijker probleem: zeker als het overduidelijk de bedoeling is dat het gebouw - op zijn minst op termijn - gewoon in het vermogen van de vennootschap behouden blijft (wat bij erfpacht per definitie het geval is), dan riskeert heel de constructie in het licht van de notionele interest het verwijt van veinzing, op zijn minst van misbruik. Daarmee dreigt de bewuste constructie dezelfde richting uit te gaan als de FBB-constructies van eind jaren tachtig: eerst de hemel in geprezen en nadien verguisd. Vele bedrijven likken nog steeds hun wonden. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Jan Van Dyck