De tobberige Turkse advocaat Galip zwerft door de stegen van Istanbul. Vertwijfeld speurt hij naar zijn vrouw Rüya. De verdwijning is een donderslag bij heldere hemel. Of wilde de jurist de onweerswolken niet zien komen aandrijven? Nochtans verdenkt hij al meteen haar halfbroer Celal. Hij zou haar overtuigd hebben er met haar vandoor te gaan. Of berust ook deze verdenking alleen op de argwaan en afkeer die Galip altijd gekoesterd heeft jegens de succesrijke columnist?
...

De tobberige Turkse advocaat Galip zwerft door de stegen van Istanbul. Vertwijfeld speurt hij naar zijn vrouw Rüya. De verdwijning is een donderslag bij heldere hemel. Of wilde de jurist de onweerswolken niet zien komen aandrijven? Nochtans verdenkt hij al meteen haar halfbroer Celal. Hij zou haar overtuigd hebben er met haar vandoor te gaan. Of berust ook deze verdenking alleen op de argwaan en afkeer die Galip altijd gekoesterd heeft jegens de succesrijke columnist? Niet toevallig moeten we in deze introductie tweemaal onze toevlucht nemen tot een of-vraag. Schiet niet op de pianist. De Turkse schrijver Orhan Pamuk (1952) heeft zijn lijvige roman Het zwarte boek gecomponeerd met zoveel spiegeleffecten, dat de werkelijkheid veeleer tussen de toonladders te zoeken valt dan harmonieus erop. De ambiguïteit van de realiteit is een van de stokpaardjes van Pamuk. Hij wakkert deze dubbelzinnigheid niet alleen aan door zijn verhaal te situeren in het als een doolhof voorgestelde Istanbul. Lezend in Het zwarte boek bekruipt je af en toe het unheimliche gevoel te verdwalen in de grote bazar van Istanbul, zo'n plek die je ervan verdenkt bewust gestructureerd te zijn als een fascinerende, maar desoriënterende fuik. Pamuk doet er nog een schepje bovenop. Hij mengt dit motief met zijn favoriete spel met de identiteit, de fil rouge door zijn oeuvre. Tijdens zijn desperate zoektocht neemt Galip de identiteit aan van zijn vermeende rivaal. Hij trekt diens kleren aan en schrijft zelfs de columns van de eveneens spoorloze Celal. In zijn twee andere vertaalde romans, De witte vesting (1993) en Het huis van de stilte (1995), merken we dezelfde preoccupatie. Bijna drie jaar geleden, in een interview met NRC Handelsblad, legde Pamuk een politieke link met zijn voornaamste thema: "Het idee dat iedereen onder dat smalle begrip Turk moet vallen, leidt tot strubbelingen met fundamentalisten, Koerden, ultranationalisten en secularisten. Wat hun identiteiten zijn, weet ik niet, wel dat ze erdoor geobsedeerd zijn." Uit die verklaring blijkt ook een link met een ander vaak terugkerend motief: de niet altijd zo vlotte ontmoeting tussen oost en west. Iemand als Pamuk, die in Istanbul geboren en getogen is, krijgt die politieke en culturele confrontatie met de paplepel naar binnen. De stad is sowieso de levende metafoor voor deze ontmoeting. Nochtans komt dit motief veel minder uitdrukkelijk aan de orde in deze roman.Het zwarte boek verscheen al in 1990 in Turkije en kreeg begin 1995 een Engelse vertaling. De Britse critici reageerden zelfs enthousiaster dan de Turkse. Onterecht is de lauwerkrans zeker niet. Pamuk schittert als een structurele acrobaat en pakt uit met een geciseleerde stijl. Er rust slechts één smet op deze roman, maar dan wel een zware: de protagonisten en hun daden blijven te expliciet het uithangbord van de leidmotieven. Arbeiderspers, 485 blz., 1380 fr. LUC DE DECKER