De regering-De Croo wil de kosten van de pensioenplannen in ons land, zoals de instap- en de beheerskosten, grondig onder de loep nemen. "De kosten die financiële instellingen aanrekenen in het kader van tweede en derde pijler worden in kaart gebracht en geanalyseerd. Indien nodig worden maatregelen genomen", staat in het federale regeerakkoord. De tweede pensioenpijler omvat de formules voor een aanvullend pensioen, zoals de groepsverzekering via de werkgever, het VAPZ (vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen) en de IPT (individuele pensioentoezegging) voor zelfstandigen. De derde pijler omvat individuele formules zoals het pensioen- of langetermijnsparen.
...

De regering-De Croo wil de kosten van de pensioenplannen in ons land, zoals de instap- en de beheerskosten, grondig onder de loep nemen. "De kosten die financiële instellingen aanrekenen in het kader van tweede en derde pijler worden in kaart gebracht en geanalyseerd. Indien nodig worden maatregelen genomen", staat in het federale regeerakkoord. De tweede pensioenpijler omvat de formules voor een aanvullend pensioen, zoals de groepsverzekering via de werkgever, het VAPZ (vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen) en de IPT (individuele pensioentoezegging) voor zelfstandigen. De derde pijler omvat individuele formules zoals het pensioen- of langetermijnsparen. De consumentenorganisatie Test-Aankoop ijvert al lang voor lagere kosten. "Voor de spaarverzekeringsproducten van de tweede en de derde pijler vragen we lagere uitstap- en transferkosten, tot maximaal 2 procent. Nu mogen nog uitstap- en transferkosten tot maximaal 5 procent worden gevraagd en in sommige gevallen is zelfs meer dan 10 procent toegelaten. Dat belemmert niet alleen de concurrentie, het is ook niet meer aangepast aan de huidige economische situatie", zegt Yves Evenepoel van Test-Aankoop. "Daarnaast vragen we dat de instapkosten voor pensioenspaarverzekeringen beperkt blijven tot maximaal 2 procent. Nu staan sommige verzekeraars toe dat de makelaars 6 procent instapkosten vragen." Al die kosten hebben een effect op het rendement, al hebben de meeste spaarders geen idee hoe groot die impact is. Vaak gaat de meeste aandacht naar de instapkosten, die de spaarder betaalt elke keer als hij een storting doet in bijvoorbeeld een pensioenspaarfonds of een pensioenspaarverzekering. Die kosten rekent de bank of de verzekeraar aan "voor de commercialisering en de professionele ondersteuning". "Instapkosten hebben een eenmalige impact", zegt Johan De Buyck van BNP Paribas Fortis. De instapkosten worden afgehouden van elke storting. Stort u 990 euro in een pensioenspaarfonds met 3 procent instapkosten, dan vloeit in werkelijkheid slechts 960,3 euro naar het fonds. "Daar staat tegenover dat een spaarder al die jaren nadien geen impact meer voelt van die kosten", zegt De Buyck. Tegenover de instapkosten staan de lopende kosten, die jaarlijks terugkeren. Ze hebben doorgaans betrekking op het beheer van het fonds, de administratieve kosten en de marketingkosten. Maar wat is de impact van die kosten op het rendement? Stel dat u in Gent woont (met een gemeentebelasting van 6,9%) en dat u vanaf uw dertigste jaarlijks 990 euro in een pensioenspaarfonds stort. Aan het einde van de rit betaalt u dan een eindbelasting van 5127 euro, ongeacht het rendement dat u hebt gehaald. Vervolgens gaan we uit van een gemiddeld jaarlijks rendement van 4,5 procent, in een neutraal scenario. Met 3 procent instapkosten voor elke storting komt het eindkapitaal (na aftrek van belastingen) uit op netto 75.467 euro. Als ook rekening wordt gehouden met de fiscale voordelen, dan komt het nettorendement uit op 5,77 procent. Maar wat gebeurt er als de instapkosten geen 3 maar 1,5 procent bedragen? De eindbelasting stijgt lichtjes: tot 5203 euro. Door de lagere instapkosten vloeit meer kapitaal naar het fonds en is de netto-inleg groter. Aan het einde van de rit blijft een netto-eindkapitaal van 76.582 euro over. Door de instapkosten te verlagen naar 1,5 procent stijgt het nettorendement van 5,77 naar 5,84 procent. Daarmee bouwt u netto 1115 euro meer pensioenkapitaal op. De bovenstaande scenario's gaan uit van 1,24 procent aan lopende kosten. Als ook de lopende kosten dalen, van 1,24 naar 1,14 procent bijvoorbeeld, stijgt het jaarlijks veronderstelde fondsrendement van 4,5 naar 4,6 procent (bij ongewijzigde instapkosten van 3%). De eindbelasting blijft dan ongewijzigd op 5127 euro. Het gemiddelde jaarlijkse rendement (rekening houdend met de fiscale voordelen) komt dan uit op 5,87 in plaats van 5,77 procent. Het opgebouwde pensioenkapitaal stijgt dan van 75.467 naar 77.206 euro. Dat is een verschil van 1739 euro. "Een miniem verschil in de lopende kosten - van amper 0,1 procentpunt - heeft dus over zo'n lange termijn een grotere impact dan een halvering van de instapkosten", zegt De Buyck. Hoewel de instapkosten minder zwaar wegen dan de lopende kosten, kunnen pensioenspaarders er wel een kleine besparing mee realiseren. Dat geldt zeker voor spaarders die kiezen voor een pensioenspaarverzekering, waar de instapkosten doorgaans hoger uitvallen en het rendement lager is. Stel dat we ook hier uitgaan van een jaarlijkse storting van 990 euro vanaf 35 jaar. Tegen een gewaarborgde rentevoet van 0,5 procent en 6,5 procent instapkosten komt het gemiddelde jaarlijkse nettorendement uit op 1,83 procent. Dat levert een netto-pensioenkapitaal van 33.148 euro op. Bij een halvering van de kosten stijgt het gemiddelde jaarlijkse rendement naar 1,99 procent, wat een pensioenkapitaal van 34.208 euro oplevert. Een besparing van meer dan de helft op de instapkosten levert hier 1060 euro extra pensioenkapitaal op. Bij de keuze voor zowel een pensioenspaarfonds als een pensioenspaarverzekering doet u er dus goed aan de kosten onder de loep te nemen, want die nemen een aanzienlijke hap uit het pensioenkapitaal dat u opbouwt. Tegelijkertijd moet u ook goed nadenken over het rendement. "Nieuwe stortingen in een tak-21 spaarverzekering renderen nauwelijks en zullen in de nabije toekomst nog minder opbrengen. Zo verwachten we dat tak23-beleggingsverzekeringen, waarvan het rendement helemaal afhankelijk is van beleggingsfondsen, op lange termijn veel meer zullen renderen. We verwachten dat een goed tak23-aandelenfonds op lange termijn minstens het dubbele zal opbrengen van een goed tak 21-product. Dus niet alleen de kosten zijn belangrijk, ook de opbrengst", besluit Yves Evenepoel.