In de jaren vijftig en zestig bouwden wel meer merken modellen met de motor achterin, zoals de 911. Het idee was dat je zo meer gewicht op de achterwielen plaatst, zodat de achtertrein meer greep op het wegdek heeft en d...

In de jaren vijftig en zestig bouwden wel meer merken modellen met de motor achterin, zoals de 911. Het idee was dat je zo meer gewicht op de achterwielen plaatst, zodat de achtertrein meer greep op het wegdek heeft en de auto vlotter uit de startblokken gaat. Maar een na een stapten de constructeurs daar weer vanaf. Omdat veel gewicht achter de achteras ook synoniem is met onvoorspelbaar weggedrag. Structureel bekeken, is de achtersteven van een auto niet de ideale plek om een motor te monteren. Toch hield Porsche koppig vast aan de vertrouwde lay-out. Omdat je niet raakt aan een icoon als de 911. Het bezorgde de stamvader van alle sportwagens de reputatie dat hij gemeen kan zijn, wanneer iemand met geringe ervaring de auto serieus gaat mennen. Die reputatie is al een paar generaties, en zeker voor deze achtste, compleet onterecht. Porsche lost het probleem op met elektronische hulpmiddelen, slim geplaatste motorsteunen, de juiste gewichtsverdeling en speciale dempers. De 911 is en blijft de enige auto met de motor op een foute plek, die je daar achter het stuur niets van laat merken.