Een psychopaat laat zijn vaak totaal willekeurig gekozen slachtoffers kop of munt kiezen. De inzet van het tossen: hun leven. Valt het opgooien fataal uit, dan schiet het huiveringwekkende personage de man of vrouw neer, bijvoorbeeld met een wapen uit een slachthuis, al dan niet na nog doodkalm wat simpele nepfilosofische beschouwingen ten beste te hebben gegeven. Dergelijke scènes zijn van het kaliber dat het collectieve geheugen haalt. Ze vormen het equivalent van de Russische roulette in de film The Deer Hunter of de napalmaanval in Apocalypse Now, een ...

Een psychopaat laat zijn vaak totaal willekeurig gekozen slachtoffers kop of munt kiezen. De inzet van het tossen: hun leven. Valt het opgooien fataal uit, dan schiet het huiveringwekkende personage de man of vrouw neer, bijvoorbeeld met een wapen uit een slachthuis, al dan niet na nog doodkalm wat simpele nepfilosofische beschouwingen ten beste te hebben gegeven. Dergelijke scènes zijn van het kaliber dat het collectieve geheugen haalt. Ze vormen het equivalent van de Russische roulette in de film The Deer Hunter of de napalmaanval in Apocalypse Now, een film over het zinloze, een geweldorgie, een nietzscheaans festijn van de slechtheid van de mens. Ecce homo. Exact dezelfde sfeer walmt op uit Geen land voor oude mannen, de nieuwe roman van de Amerikaan Cormac McCarthy (1933). Zeven jaar lang had de schrijver van de succesvolle Border Trilogy geen roman meer gepubliceerd. Nu pakt de zeventiger weer stevig uit, al is er wel een en ander veranderd. De nieuwe roman is kort en de personages zijn niet langer cowboys, maar working poor en drugssmokkelaars of ander tuig uit het Amerika van begin jaren tachtig. De stijl evolueert nog steeds in dezelfde richting: de lyriek en de bombast van weleer zijn nu helemaal gekanteld naar zuinig afgemeten staccato. De desolate vlakten zijn er nog wel en vinden hun echo in de kale stijl. Maar ook de woestenij en prairies aan de grens tussen Texas en Mexico moeten meer en meer plaats ruimen voor dorpen en motels - nu ja, voor armoedige woonwagenkampen, eenzame pompstations en mistroostige motels. Het effect blijft evenwel hetzelfde: zwartgallig, zwaarmoedig, inktzwart - ziedaar de verpletterende wereld van Cormac McCarthy. Het eenvoudige verhaal loopt van stapel als een arme Vietnamveteraan zo'n 2,4 miljoen dollar vindt van de drugsmaffia. Hij tart het lot door het geld mee te nemen en moet al meteen op de vlucht. Bij zijn achtervolgers valt vooral de psychopathische moordenaar op, die zijn weg zowat plaveit met zijn slachtoffers. Niet onbelangrijk zijn de mijmeringen van een oude sheriff. Hij vertolkt zowat de stem van de goegemeente, van de oude man die opmerkt dat Amerika naar de haaien gaat. Hij heeft het nog over moraal en ethiek, maar beseft evengoed dat het te laat is. McCarthy bezingt de ondergang van de Verenigde Staten - het is blues, maar met een echo van wagneriaanse waanzin. In dat simpele verhaal strooit McCarthy kwistig met citaten en referenties. Het desolate grensgebied lijkt wel het podium van een noodlotstragedie. Het is de grens waar goed en kwaad wazig worden en finaal naar de verkeerde kant tuimelen. De kleine mens ontloopt er zijn lot niet. Ondanks al die uitgekiende motieven onder een eenvoudige hedendaagse (anti)western, komt McCarthy lang niet zo sterk uit de hoek als in zijn vorige romans. Daarvoor is de stijl nu te kaal geworden, de personages te karikaturaal en de setting te clichématig. Cormac McCarthy, Geen land voor oude mannen. Arbeiderspers, 215 blz., 18,95 euro.Luc De Decker