Wie geniet de BTW-vrijstelling waarin het Belgische BTW-wetboek ten aanzien van uitvoerende artiesten voorziet? Pavarotti? Will Tura? Sandra Kim? Het circus van Moskou?
...

Wie geniet de BTW-vrijstelling waarin het Belgische BTW-wetboek ten aanzien van uitvoerende artiesten voorziet? Pavarotti? Will Tura? Sandra Kim? Het circus van Moskou? Daarop kan geen eenvormig antwoord gegeven worden. Want, zoals dat op fiscaal gebied wel meer het geval is, geldt de vrijstelling slechts als aan welbepaalde voorwaarden voldaan is.Ten eerste is vereist dat men binnen de omschrijving valt van wat de wet onder een uitvoerend artiest verstaat (zie kader: Uitvoerende artiesten en BTW). En ten tweede is vereist dat men de diensten verstrekt aan een opdrachtgever die aan de wettelijke voorwaarden beantwoordt. De opdrachtgever moet met name de organisator zijn van een schouwspel of concert, of de uitgever van een cd of een andere klankdrager, of de maker van een film of een andere beelddrager. OMSCHRIJVING.Vooral de notie uitvoerend artiest zorgt in de praktijk voor problemen. De wettekst zelf geeft immers geen uitsluitsel over de vraag wie allemaal als een uitvoerend artiest kan worden beschouwd. En dus moet men interpreteren. Op die manier is er in de loop der jaren een vrij uitvoerige administratieve casuïstiek ontstaan. Daaruit leert men bijvoorbeeld dat een diskjockey die op een dansavond voor de nodige animatie zorgt, ook als een uitvoerend artiest mag worden beschouwd. En dat hetzelfde ook bijvoorbeeld geldt voor een mannequin die optreedt ter gelegenheid van een modeshow. Of nog, voor een filmregisseur, of voor een persoon die een film in een andere taal inspreekt enzovoort. Maar dan weer niet voor een impresario, en evenmin voor de scriptgirl, of voor personen die reclameboodschappen inspreken voor radio en televisie enzovoort. Kortom, het besluit of iemand wel of niet als uitvoerend artiest kan worden aangemerkt, ligt niet voor de hand. Buiten de evidente gevallen van muzikanten, theateracteurs, enzovoort, doet men er bijgevolg goed aan elk geval afzonderlijk te beoordelen, en zo nodig zijn licht op te steken bij de belastingcontroleur. Zo vermijdt men onaangename verrassingen.RECHTSPERSOON.Maar ook al heeft men te doen met personen die ogenschijnlijk aan de notie uitvoerend artiest beantwoorden, dan nog zijn de problemen niet van de baan. Veel artiesten treden immers niet op als natuurlijke persoon, maar wel in de vorm van een rechtspersoon. Zij zijn trouwens niet alleen. Als ik naar de bakker ga, dan is de kans heel groot dat het brood dat ik koop niet gebakken is door bakker Janssens natuurlijke persoon, maar wel door de bvba Janssens & Co, waarin bakker Janssens (die het deeg eigenhandig heeft gekneed) als zaakvoerder optreedt. Hetzelfde doet zich voor als ik morgenavond naar een optreden ga van charmezanger X, Y of Z. De stem die ik hoor, is weliswaar de stem van de natuurlijke persoon die daar fysiek staat te zingen; maar de kans is zeer groot dat hij daar staat te kwelen in zijn hoedanigheid van zaakvoerder of gedelegeerd bestuurder van de professionele vennootschap X, Y of Z, waarin hij zijn beroepsactiviteit heeft ondergebracht.ADVOCATEN.Vraag is dan of deze vennootschap ook de BTW-vrijstelling voor uitvoerende artiesten kan genieten.Daarover is in het verleden heel wat te doen geweest. Louter op basis van de tekst van de wet, kan men daar niet veel over zeggen. De tekst rept met geen woord over de hoedanigheid waarin de uitvoerend artiest moet optreden. Het ligt trouwens niet voor de hand dat artiesten van de BTW-vrijstelling uitgesloten kunnen worden zodra zij in de vorm van een vennootschap optreden.Vergelijk het met de advocaten. Die zijn (tot nader order) ook vrijgesteld van BTW. Nochtans twijfelt bij hen niemand eraan dat die vrijstelling ook geldt wanneer zij hun beroep in vennootschapsvorm uitoefenen.Waarom zou dat dan bij de uitvoerende artiesten anders moeten zijn?Wat er ook van zij, tot diep in de jaren tachtig hield de BTW-Administratie vol dat de vrijstelling van uitvoerende artiesten in de regel alleen van toepassing kon zijn ten aanzien van artiesten die individueel optreden als fysiek persoon. Met dien verstande dat de vrijstelling ook aanvaard werd als de optredende artiesten een groepering vormden (met of zonder rechtspersoonlijkheid); maar dan wel slechts voorzover zij - wegens de aard van het schouwspel, het optreden of de opname - onmogelijk anders dan in groepsverband konden optreden. GEWEER.In 1988 (tien jaar geleden dus) versoepelde de BTW-Administratie haar standpunt. Sindsdien aanvaardt zij zonder meer dat vennootschappen en groeperingen van artiesten ook als zodanig als uitvoerende artiesten kunnen worden beschouwd (zonder dat nog nodig is dat de artiesten onmogelijk anders dan in groepsverband kunnen optreden). Artiestenvennootschappen komen sindsdien dus ook in principe voor de BTW-vrijstelling in aanmerking. Daarvoor is alleen maar vereist dat zij de bedoelde diensten verstrekken door bemiddeling van een of meer van hun eigen artiesten (die in de vennootschap bijvoorbeeld als zaakvoerders of als werkende vennoten werkzaam zijn).KLOK.Met ingang van 1 april 1998 (binnen twee maanden dus) wil de BTW-Administratie de klok nu terugdraaien. Geen tien jaar. Maar wel dertig jaar terug. Vennootschappen of groeperingen van artiesten kunnen vanaf 1 april 1998 de BTW-vrijstelling niet meer inroepen. Zelfs niet meer als zij aan de strikte voorwaarden voldoen die tot tien jaar geleden golden. Op die regel zal nog slechts één uitzondering bestaan, met name voor amateurgezelschappen die louter optreden in het kader van de vrijetijdsbesteding van hun leden, en die voor hun optreden slechts een vergoeding vragen van hun kosten en die deze vergoeding bovendien uitsluitend besteden aan de verwezenlijking van het doel van hun vereniging of groepering.Voor andere gezelschappen, groeperingen en vennootschappen, behoort de BTW-vrijstelling tot het verleden.THEATERBUREAU.En dat geldt niet alleen voor hen. Ook voor uitvoerende artiesten die individueel als natuurlijke persoon optreden, wordt de klok teruggedraaid. Tot nog toe aanvaardt de BTW-Administratie immers dat de BTW-vrijstelling van uitvoerende artiesten niet verloren gaat als zij hun prestaties verrichten in opdracht van een theaterbureau, zelfs als dat bureau in eigen naam en voor eigen rekening handelt. Welnu, vanaf 1 april 1998 wordt ook hier de kraan dichtgedraaid: zodra het theaterbureau in eigen naam én voor eigen rekening optreedt, mag de uitvoerend artiest de BTW-vrijstelling vergeten; de prestaties die hij aan het theaterbureau in rekening brengt, zullen in principe aan BTW onderworpen zijn. Hetzelfde zal trouwens ook gelden voor de factuur die het theaterbureau (in eigen naam en voor eigen rekening) aan de organisator presenteert (waar die factuur tot op heden ook vrij van BTW kon blijven).Op deze laatste regeling zal in de praktijk nog wel een uitzondering gedoogd worden; met name voor het geval waarin het theaterbureau weliswaar in eigen naam, maar niet voor eigen rekening (wel voor rekening van de artiest) factureert. Maar daarvoor zullen dan weer strikte formaliteiten in acht genomen moeten worden.Noteer ten slotte dat de Administratie zich vanaf 1 april 1998 ook strenger wil opstellen wanneer uitvoerende artiesten optreden voor radio of tv. De BTW-vrijstelling zal dan niet meer gelden. Zelfs niet als de artiest individueel en als fysiek persoon optreedt; tenzij hij optreedt in een programma dat voor het publiek toegankelijk is.TARIEF.Tegen al deze beperkingen is inmiddels een storm van protest opgestoken. Die wil de minister van Financiën doen luwen door een tariefverlaging in het vooruitzicht te stellen: 6% in plaats van 21%. Maar daarmee gaat hij voorbij aan de grond van de zaak. De echte vraag luidt, waarom men zich plots geroepen voelt om de BTW-vrijstelling terug te schroeven, niet naar het niveau dat tien jaar geleden bestond; maar naar een nog veel lager niveau. Een dat nooit heeft bestaan.Jan Van Dyck is fiscalist. Jan Van Dyck