Grondstoffen worden duurder, want bodemrijkdommen schaarser. Tegelijk wordt grijze materie overal toegankelijker. Tot voor kort hoofdzakelijk geconcentreerd in het westelijk halfrond, borrelt grijze massa over de hele wereld op. In 1950 genoot 1 % van de wereldbevolking hoger onderwijs, 80 % daarvan in het Westen; in 2008 zal het 2 % zijn, waarvan de helft in Azië.
...

Grondstoffen worden duurder, want bodemrijkdommen schaarser. Tegelijk wordt grijze materie overal toegankelijker. Tot voor kort hoofdzakelijk geconcentreerd in het westelijk halfrond, borrelt grijze massa over de hele wereld op. In 1950 genoot 1 % van de wereldbevolking hoger onderwijs, 80 % daarvan in het Westen; in 2008 zal het 2 % zijn, waarvan de helft in Azië. Recent onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) geeft aan dat de Europese Unie haar voorsprong op onderwijsvlak niet langer behoudt en dat de rest van de wereld snel vorderingen maakt: één kwart van de volwassenen met toegang tot hoger onderwijs leeft in de Verenigde Staten, één vijfde in de zogenaamde Bric-landen (Brazilië, Rusland, India en China) en minder dan 15 % in de EU-25. Dat moet op den duur economische consequenties hebben. Terwijl het aantal Europese ingenieurs en wetenschappers blijft dalen, is de toevloed aan onderzoekers en ingenieurs in Azië een feit (zelfs al moet de kwaliteit bijgeschaafd worden - wat ook gebeurt). Een omgekeerde globalisering is bezig. En al staan we nog maar aan het begin, de toekomst zal minder door het Westen beheerst worden. Moeten we daar bang voor zijn? Is de ondergang onvermijdelijk? Neen. Maar beseffen dat de tijd voorbij is dat westerse bedrijven bij export of delokalisatie van producten de spelregels eenzijdig bepaalden, is een goed begin. Laten we de nieuwe concurrenten uit snel opkomende economieën vooral niet onderschatten. Zonder evenwel te dramatiseren - iets wat Clyde Prestowitz wél doet in The Great Schift of Wealth and Power to the East. Omdat landen als China en India met onklopbare kostenvoordelen overal en altijd de winnaars zullen zijn, gelooft Prestowitz niet in een eerlijk speelveld voor westerse bedrijven tegenover de nieuwe rivalen. De realiteit is complexer. Ten eerste schuilen er achter de spurtende economieën van Azië en Latijns-Amerika nog altijd - en nog voor lange tijd - kankers van verlammende armoede en sociale ongelijkheid. Ten tweede kampen ook zij stilaan met duurdere kosten: in de Chinese provincie Guangdong bijvoorbeeld stijgen de minimumlonen per 1 september met 5 tot 10 procent. "Zelfs in China, met zijn onuitputtelijk aanbod van goedkope arbeiders, gaat de kostprijs van exportproducten omhoog," merkte de gouverneur van de nationale bank van Groot-Brittannië onlangs op. Hij verwacht dat het China-effect - als domper op de inflatie in rijke landen - binnenkort uitgespeeld kan zijn. Ten derde versterkt creatieve innovatie onze competitiviteit. Dat heeft zowel betrekking op beter hoger onderwijs (Finland klom van kneusje eind jaren tachtig op tot koploper in de OESO) als op doelgerichte O&O en op inventieve samenwerkingsformules met dynamische bedrijven uit de ontluikende markten (zie blz. 42). Bovendien is meer welvaart in de wereld goed voor iedereen. Het bezitten van een kleiner aandeel in een snel groeiende wereldeconomie is ook voor ons beter dan een groter deel van een stagnerende en verpauperde wereld. Erik Bruyland