De auteur is advocaat aan de Brusselse balie.
...

De auteur is advocaat aan de Brusselse balie.De meeste managers met een managementvennootschap gebruiken hun firma als een doorgeefluik: hun salaris wordt gestort aan de vennootschap, die op haar beurt een lagere bezoldiging uitkeert aan de manager zelf. Op die manier kan hij in de vennootschap reserves opbouwen. Het voordeel hiervan is dat de tarieven in de vennootschapsbelasting (33 %) lager zijn dan de hoogste tarieven in de personenbelastingen (50 %). Bovendien betekent deze lagere persoonlijke bezoldiging een besparing op sociale bijdragen voor zelfstandigen. Op alles wat in de vennootschap blijft steken, hoeven namelijk geen persoonlijke sociale bijdragen te worden betaald. Maar weinig bedrijfsleiders weten dat er nog andere manieren bestaan om centen uit hun vennootschap te halen. Een van de alternatieven is de uitkering van een dividend. In plaats van de winst in de vennootschap te drukken door uzelf hoge bezoldigingen (die zelf tegen hoge tarieven belast worden) toe te kennen, kunt u de winst in de vennootschap hoog houden en gedeeltelijk gaan leven van dividenden, al dan niet gecombineerd met een bezoldiging. Bij dividenden gaat men ervan uit dat ze in principe maar eenmaal per jaar kunnen worden uitgekeerd. De algemene vergadering van aandeelhouders kan bij de goedkeuring van de jaarrekening beslissen wat er met de gerealiseerde winst van het voorbije boekjaar moet gebeuren. Ze kan gereserveerd worden, of gebruikt om de verliezen van de vennootschap aan te zuiveren, of uitgekeerd aan de aandeelhouder(s). Op die uitkeringen moet de uitkerende vennootschap een roerende voorheffing inhouden, die naargelang van het geval 25 % of 15 % bedraagt (zie kader: Wanneer bedraagt de roerende voorheffing 15 %?). Vennootschappen die opgericht zijn na 1994 en waarvan het maatschappelijk kapitaal in geld is volstort, genieten meestal van het tarief van 15 % bij een dividenduitkering. Vooral uitkeringen met een roerende voorheffing van 15 % zijn fiscaal zeer interessant, zeker wanneer ze gecombineerd worden met het verlaagde opklimmende tarief in de vennootschapsbelasting (van 24,25 % tot 34,5 %). Dividenden maken immers deel uit van de winst van de vennootschap. Dat betekent dat ze eerst worden onderworpen aan de vennootschapsbelasting voordat ze worden uitgekeerd. Hoe lager het tarief in de vennootschapsbelasting, hoe hoger het uitkeerbare dividend. Tot 25.000 euro winst wordt een vennootschap die kan genieten van het verlaagde opklimmende tarief (zie kader: Wanneer geniet u van het verlaagde belastingtarief?), belast tegen het voordeligste tarief van 24,25 %. In deze hypothese kan er dus van 75,75 % van de belastbare winst als dividenden worden uitgekeerd. Bij de uitkering moet er nog roerende voorheffing worden ingehouden. In de veronderstelling dat de vennootschap voldoet aan de voorwaarden voor de verlaagde roerende voorheffing, betekent dit dat het uitkeerbare dividend met 15 % roerende voorheffing moet worden verminderd. In ons voorbeeld bedraagt het nettodividend dus meer dan 64 %. Omdat u van een gewone bezoldiging na (para)fiscale druk nauwelijks de helft overhoudt, is de keuze wellicht vlug gemaakt. Uiteraard heeft de fiscale wetgever de deur niet wagenwijd opengezet. Een vennootschap kan alleen van het verlaagde opklimmende tarief in de vennootschapsbelasting genieten, als ze niet meer dan 13 % van het gestorte kapitaal uitkeert aan haar aandeelhouder(s). Een naamloze vennootschap met een maatschappelijk kapitaal van bijvoorbeeld 61.500 euro mag dus jaarlijks maximaal 7995 euro aan dividenden uitkeren, als ze wenst te blijven genieten van het verlaagde belastingtarief. Naarmate de belastbare winst van de vennootschap stijgt, daalt echter het (financiële) belang om te voldoen aan het verlaagde opklimmende tarief in de vennootschapsbelasting. In de schijf van 25.000 tot 90.000 euro betaalt u al 31 % vennootschapsbelasting, wat in de buurt komt van het normale tarief van 33 % (zie cijfervoorbeeld). Maar zelfs wanneer de vennootschap onderworpen is aan het normale tarief van 33 %, blijft het fiscaal voordeliger om dividenden in plaats van bezoldigingen op te strijken vanuit uw vennootschap. Als de vennootschap de roerende voorheffing heeft ingehouden en doorgestort aan de schatkist, hoeft u de dividenden bovendien niet te vermelden in zijn aangifte in de personenbelastingen. Dat impliceert dan weer dat u geen gemeentebelastingen betaalt op de ontvangen dividenden (omdat ze niet verrekend worden in uw aanslagbiljet). Ten slotte is het mooi meegenomen dat dividenden vanuit uw eigen vennootschap niet worden aangemerkt als beroepsinkomsten, zodat u geen sociale bijdragen voor zelfstandigen hoeft te betalen. Een van de grote nadelen van een dividenduitkering is de beperking door het tijdstip, de datum van de jaarlijkse algemene vergadering. Hoewel geduld een deugd is, geniet de onmiddellijke verloning nog steeds de algemene voorkeur. Die behoefte strookt op het eerste gezicht niet met de techniek van dividenduitkeringen. Ons Wetboek van Vennootschappen voorziet echter onder bepaalde voorwaarden in de mogelijkheid om interim-dividenden uit te keren, zodat de ongeduldige aandeelhouders niet telkens hoeven te wachten tot de algemene vergadering. Onder strikte voorwaarden is het toegelaten dat de raad van bestuur van een vennootschap op een ander tijdstip dan de algemene vergadering kan beslissen om dividenden uit te keren. Dat heet het interim-dividend. Het gebruik van interim-dividenden is echter onderworpen aan voorwaarden. De voornaamste zijn: De uitkering van een interim-dividend is voorbehouden aan de naamloze vennootschap en de commanditaire vennootschap op aandelen. De statuten laten de toekenning van interim-dividenden uitdrukkelijk toe. Het interim-dividend wordt ten vroegste zes maanden na het afsluiten van het voorgaande boekjaar toegekend, en nadat de jaarrekening van dat boekjaar is goedgekeurd. Interim-dividenden worden alleen toegekend uit de winst van het lopende boekjaar, vermeerderd met de overgedragen winsten en verminderd met de overgedragen verliezen. Daarbij wordt er rekening gehouden met verplichte dotaties aan wettelijke of statutaire reserves. Een uitkering uit de beschikbare reserves is verboden (in tegenstelling tot tussentijdse dividenden). Als de toegekende interim-dividenden uiteindelijk meer bedragen dan het jaardividend dat door de algemene vergadering werd vastgesteld, moet het te veel betaalde dividend worden beschouwd als een voorschot op het eventuele dividend van het volgende boekjaar. Het interim-dividend is dus steeds definitief verworven. Het is geen voorwaardelijke betaling. Door tal van formaliteiten is het niet altijd evident om een interim-dividend toe te kennen. Een andere oplossing kan erin bestaan om een bijzondere algemene vergadering bijeen te roepen, die kan beslissen om de gereserveerde winsten (niet de lopende winsten) geheel of gedeeltelijk uit te keren. Dat is het tussentijdse dividend. Onder tussentijds dividend wordt verstaan een dividend dat niet door de jaarvergadering wordt goedgekeurd, maar door een bijzondere algemene vergadering op een datum die niet samenvalt met de statutair voorziene datum voor de goedkeuring van de jaarrekening. De beslissing over de winstbestemming hangt naar Belgisch recht nauw samen met de goedkeuring van de jaarrekening. Lange tijd was het niet helemaal zeker of de vennootschap - buiten de regeling van het interim-dividend - ook nog eens tussentijds dividenden aan haar aandeelhouder(s) kon uitkeren. Op die manier kon ze namelijk afwijken van een goedgekeurde jaarrekening en de daarin opgenomen winstbestemming. Het Hof van Cassatie heeft deze discussie in 2003 beslecht. Een bijzondere algemene vergadering kan op elk ogenblik van het boekjaar beslissen om aan de aandeelhouders een dividend uit te keren dat aan de beschikbare reserves wordt onttrokken, zonder daarbij de spelregels van het interim-dividend te moeten volgen. De winst die overgedragen of gereserveerd wordt door de jaarvergadering, kan op een later tijdstip het voorwerp uitmaken van een tussentijdse dividendenuitkering. Deze winst mag niet door overgedragen verliezen teniet worden gedaan, noch wettelijk of statutair onuitkeerbaar zijn. De bijzondere algemene vergadering kan winsten van het lopende boekjaar uitkeren. Dat kan alleen via de toekenning van interim-dividenden. Omdat veel managementvennootschappen de vorm hebben van een eenpersoons-BVBA, is de bijeenroeping van een bijzondere algemene vergadering een kleine moeite. Voor de bedrijfsleiders die extreem druk bezet zijn, rest nog één mogelijkheid die totaal formaliteitloos is: het opnemen van voorschotten. De eenvoudigste manier om van een gespreide betaling van dividenden te genieten, is de opneming van voorschotten via de rekening-courant. Dat kan op twee manieren. 1. U neemt maandelijkse voorschotten op de verwachte dividenden, die in de vennootschap geboekt worden op debet rekening-courant (vordering op aandeelhouder). Op het ogenblik van de jaarvergadering compenseert u de stand van debet rekening-courant met het bedrag van de uitgekeerde dividenden. 2. U neemt het eerste jaar geen voorschotten op de verwachte dividenden, maar wacht op de beslissing tot uitkering van dividenden door de algemene vergadering. De vennootschap boekt het nettobedrag (na inhouding van roerende voorheffing) op credit rekening-courant (schuld aan aandeelhouder). De begunstigde neemt elke maand een twaalfde op van zijn schuldvordering op de vennootschap. Op het openstaande saldo van de rekening-courant kan de begunstigde bovendien nog een interest vragen.Variaties op hetzelfde thema met tussentijdse dividenden zijn ook mogelijk. Didier Van LaereEen bijzondere algemene vergadering kan beslissen om de gereserveerde winsten geheel of gedeeltelijk uit te keren. De eenvoudigste manier om van een gespreide betaling van dividenden te genieten, is de opneming van voorschotten via de rekening-courant.