Londen, Brussel.
...

Londen, Brussel.Wie vandaag een goede job heeft en een stevig loon, heeft vaak al een aanvullend privé-pensioen en rekent niet meer zo erg veel op het wettelijke pensioen. Dat zal straks nog wel betaald worden, maar het zal meer weg hebben van een aalmoes. Het gemiddelde pensioen bedroeg in 1995 32% van het gemiddelde brutoloon, in 2050 zal dat nog maar 25,7% zijn (zie grafiek 1). En wie zal straks moeten terugvallen op dat schamele pensioentje? De gewone man die nooit de financiële ruimte heeft gevonden om bij te sparen. Zodat de vraag mag gesteld worden of het niet net de socialisten moeten zijn, Louis - ik zorg voor uw pensioen - Tobback op kop, die moeten zorgen voor de hervorming van de pensioensector. Maar laten we eerst de diagnose stellen voor we een remedie voorschrijven. Die diagnose is kort en hard: het huidige systeem heeft kanker. De demografie is de voornaamste boosdoener. In Europa is vandaag 18% van de bevolking ouder dan 65, in 2030 wordt dat 32% (zie grafiek 2). De levensverwachting stijgt (tegen 2050 nog eens met acht jaar) en de geboortegraad daalt steeds sneller. Resultaat: de verhouding werkenden-gepensioneerden wordt erg ongunstig. In België was in 1995 21,9% van de bevolking gepensioneerd, en 36,9% aan het werk. Tegen 2050 wordt dat 34,4% gepensioneerden en 38% werkenden. En dat is voor ons pensioensysteem fataal. Het is immers een omslagstelsel waarbij de pensioenen betaald worden uit de bijdragen van de werkenden van dat moment. Hoe minder werkenden en hoe meer gepensioneerden, hoe zwaarder de last voor die werkenden.Het Federaal Planbureau heeft de gevolgen van de vergrijzing becijferd. De totale pensioenlast (werknemers, ambtenaren en zelfstandigen samen) zal oplopen van 10% van het bruto binnenlands product (BBP) naar 12,6% in 2030 (zie tabel). 2,6% van het BBP meer, dat is in franken van vandaag ruim 230 miljard. Heeft u nog een hallucinant bedrag nodig om overtuigd te raken? De huidige pensioenbijdrage in de loonkosten van 18,86% zal over dezelfde tijdsspanne groeien naar 29,6%. Het Federaal Planbureau heeft zich al aardig wat moeite getroost om deze cijfers te verzachten. Een studie van Nicole Fasquelle en Saskia Weemaes stelde dat die stijging kan gefinancierd worden door overschotten in de kinderbijslag en de werkloosheid, en door de dalende rentelasten op de overheidsschuld. Het VBO is uiterst kritisch over deze analyse, onder meer omdat de vooruitzichten van het Planbureau zeer optimistisch zijn (2,25% groei per jaar bijvoorbeeld). De vraag wordt trouwens volledig verkeerd gesteld. Met optimistische toekomstparameters probeert men aan te tonen dat het systeem betaalbaar blijft, maar men "vergeet" daarbij dat België heel wat andere katten te geselen heeft: een serieuze loonkostenverlaging bijvoorbeeld, of een herneming van de overheidsinvesteringen op Europees niveau. De juiste vraag luidt: kunnen we dezelfde prestaties niet garanderen met minder geld? De efficiëntie van systemen is veel belangrijker dan het status-quo van bestaande machtsstructuren. Het pensioendossier moet uit de ideologische sfeer worden gehaald.De voorzichtige aanpakDe regering volgt de weg van het voorzichtig sleutelen aan het systeem. Eind 1996 werd de gelijkschakeling van man en vrouw doorgevoerd. De pensioenleeftijd van de vrouwen wordt gradueel opgetrokken naar 65 jaar in 2009. Tegelijkertijd wordt het aantal dienstjaren die noodzakelijk zijn om vervroegd met pensioen te gaan verhoogd van 22 naar 35 tegen 2005. Marie-Jeanne Festjens van het Federaal Planbureau berekende dat deze beide maatregelen een reële besparing van 25 miljard frank betekenen in 2010, 0,22% van het BBP. Duidelijk niet voldoende dus, zodat de regering als ze de zachte weg wil blijven volgen, uiteindelijk terecht zal komen bij de verhoging van de pensioenleeftijd. Maar zulk een verlenging heeft een hogere werkloosheid tot gevolg, zal het gemiddelde pensioenbedrag naar boven duwen (omdat er meer duurdere jaren worden meegeteld) en staat bovendien haaks op de tendens om steeds vroeger de arbeidsmarkt te verlaten.De harde aanpakIs het dan geen tijd voor een grondige hervorming? Sommigen zijn voorstander van een volledige privatisering van het pensioensysteem. Voor hen is Chili, dat in 1981 het overheidspensioen verving door een privé-pensioen, het rolmodel (zie kader Rolmodel Chili?). Inmiddels zijn zeven andere Latijns-Amerikaanse landen gevolgd (Peru, Colombia, Argentinië, Uruguay, Mexico, Bolivië, El Salvador). En in Oost-Europa hebben Hongarije, Polen en Roemenië gelijkaardige hervormingen op stapel staan. Ook Kazachstan voert een privatisering door. Het IMF en de Wereldbank begeleiden deze revolutionaire hervormingen. De rechtse denktank Cato Institute is een groot pleitbezorger van een volledige privatisering van de sociale zekerheid, ook in de Verenigde Staten. In 1995 lanceerde Cato hiervoor een speciaal programma dat studiewerk verricht en het idee propageert. Met de Chileense ex-minister van Arbeid José Pinera als covoorzitter en Nobelprijswinnaar Gary Becker als adviseur worden wereldwijd seminaries georganiseerd. Onlangs was Cato te gast in Londen. In een geprivatiseerd pensioenstelsel betalen werknemer en werkgever bijdragen aan een individuele rekening bij een pensioenfonds. Dat fonds accumuleert die bijdragen, belegt het geld, verwerft daar intresten en dividenden mee en keert met de eindsom een pensioen uit. In tegenstelling tot een omslagstelsel betaalt de werknemer voor zijn eigen pensioen veertig jaar later en niet voor de gepensioneerden van zijn generatie. Daarnaast bestaat in elk geprivatiseerd pensioensysteem een door de overheid gefinancierd sociaal vangnet: een basispensioen voor al wie geen voldoende rechten heeft kunnen opbouwen.Het grote voordeel en verschil met het omslagstelsel is het rendement van een privé-verzekering. Voor dezelfde bijdrage krijg je minimaal een dubbel pensioen terug. "Een overheidspensioen levert voor een gehuwde man met een gemiddeld inkomen een rendement van 2% op, voor een alleenstaande is dat rendement negatief. Privé-pensioenen halen een rendement van 7%," zei Eamonn Butler, directeur van het Adam Smith Institute, op de Cato-conferentie in Londen. Inderdaad, voor de periode 1980/81-1990 - we laten bewust de laatste beursgekke jaren buiten beschouwing - haalden de Nederlandse pensioenfondsen een reëel jaarlijks rendement van 6,7%, de Britse zelfs 8,8% (zie grafiek 3). De Belgische pensioenfondsen haalden in de periode 1984-1996 6,2%. Die percentages betekenen een wereld van verschil. Een miljoen frank in 1996 aan 4% levert in 2020 2,56 miljoen op. Aan 8% is dat al 6,34 miljoen. In eigen land heeft Jean-Jacques Gollier, professor aan de UCL en beheerder bij AON Consulting Belgium, zeer interessant en nog niet gepubliceerd rekenwerk hierrond verricht. Een alleenstaande man met een nederig loon die met pensioen is gegaan in 1992 haalde een rendement op zijn inlage van 6%, wat dus zeker niet slecht is. Een hoger kaderlid daarentegen haalde nog slechts 1,2%. Maar kijken we nu naar diezelfde man die in 1992 is beginnen werken. Wat wanneer hij 45 jaar later met pensioen zal gaan (verondersteld dat de pensioenen jaarlijks met 2,5% stijgen, er geen welvaartsaanpassing is en de lonen met 4,75% stijgen)? Een hoger kaderlid haalt nu een rendement van -8,75%, een lid van het middenkader -2,25%. Het gevolg van pensioenuitkeringen met een plafond en bijdragen zonder plafond. Dat voor kaderleden het huidige wettelijke systeem niet interessant is, wisten we al. Maar kijken we weer naar onze gewone werknemer. Een arbeider (met een loon van 40.000 frank bruto op 20 jaar en stijgend naar 50.000 op 35 jaar) haalt een rendement van 2,35%. Een bediende die begint op 50.000 frank en doorgroeit naar 75.000 frank op zijn 45 jaar haalt 0,84%. Onze arbeider mist minimaal 4%, onze bediende minimaal 5,5% omdat beide geen privé-verzekering hebben. Een jaarlijkse welvaartsaanpassing van de pensioenen met 1% verhoogt dit rendement tot respectievelijk 4,1% en 3,5% ( nog checken). Wat minder blijft dan in een privé-systeem. Wie hier spreekt van de verdediging van het wettelijk pensioenstelsel tegen de voorstanders van de ruwe vrije markt in, bedondert zijn eigen kiesvolk. Niet met theorieën en ideologieën, maar met harde franken. De pensioenproblematiek is echter zelden eenvoudig en rechtlijnig. De berekeningen van Gollier en alle anderen gaan steeds uit van volledige loopbanen. In realiteit zijn mensen vaak ziek of werkloos gedurende een langere periode in hun carrière. Een periode waarin ze niet bijdragen voor hun pensioen. In het wettelijk stelsel maakt dat geen verschil (men noemt dit de gelijkgestelde periodes die worden meegeteld alsof men gewerkt heeft), in een privé-verzekering tellen die periodes niet mee. En dat geeft natuurlijk een heel rendementsverschil. Die gelijkgestelde periodes zijn trouwens vandaag ongelooflijk belangrijk: gemiddeld 33% van de getelde jaren bij de mannen, 38% bij vrouwen, 55% bij arbeidsters. De vraag is echter hoelang de staat die free lunch nog kan aanbieden? Premier Dehaene kondigde eind vorig jaar al aan dat er bijkomende maatregelen zouden volgen inzake de gelijkgestelde periodes. Deze analyse toont een minder bekende gedaante van de solidariteit in de sociale zekerheid. Het gaat niet meer zozeer om een solidariteit tussen rijk en arm, wel tussen werkend en niet-werkend. De vraag is hoe we die solidariteit met de niet-werkenden vorm moeten geven. Zoals het nu is via de werkenden of zoals het in een privé-stelsel kan zijn via de overheid die het basispensioen financiert. Een basispensioen dat mensen die onvoldoende gespaard hebben, moet garanderen dat ze evenveel krijgen als in het oude wettelijke systeem.Er is nog een redendie pleit voor een geprivatiseerd pensioensysteem. In een omslagstelsel wordt de hoogte van de uitkeringen bepaald door de (toenemende) macht van de gepensioneerden. Die kunnen politici rechtstreeks beïnvloeden. Voor politici is een omslagstelsel ook veel interessanter omdat ze er direct vat op hebben. Een privé-kapitalisatiestelsel met zijn veel bredere tijdshorizon ontsnapt aan hun rechtstreekse invloed.Nadelen en gevarenPrivé-systemen zijn geen wondermiddel. Er is bijvoorbeeld het marktrisico, hoewel dat relatief is. Cato Institute berekende dat in de Verenigde Staten de slechtste periode van twintig jaar (1929-1948) een reëel rendement gaf van 3,36%. De slechtste periode van 46 jaar (de normale lengte van een beroepsloopbaan) levert 7,32% (1929-1974). De beste periode van 46 jaar gaf 12,88% (1942-1987). Op dit moment bestaan er heel wat pensioenfondsen die zelfs geen bijdragen meer vragen aan hun leden, ze draaien op hun geaccumuleerd vermogen. Het pensioenfonds van Xerox doet het al elf jaar zo. Tegenstanders zwaaien vaak met de hogere administratiekosten in een privé-systeem. In Chili lopen die inderdaad op tot 2%, ook al omdat verkopers nieuwe leden lokken met reizen en televisies. Pensioenfondsen halen echter over het algemeen zeer lage kosten. Het gevaar dreigt vooral bij individuele pensioenplannen. In Engeland bijvoorbeeld zijn er grote problemen ontstaan met bedenkelijke verkooptechnieken rond persoonlijke pensioenverzekeringen. Momenteel lopen tal van processen en nogal wat verzekeraars hangen terugbetalingen van in totaal 13 miljard pond boven het hoofd. Een strenge prudentiële controle is noodzakelijk. Het grootste probleem is de transitie van een omslag- naar een kapitalisatiestelsel. Tijdens de overgangsperiode die een generatie lang duurt maar progressief uitdooft, moet men immers de gepensioneerden blijven betalen in omslag terwijl de actieven die daarvoor instaan voor hun eigen pensioen moeten zorgen. Er moet dus twee keer worden betaald. In Polen - dat volgend jaar overstapt naar een privé-stelsel - heeft men berekend dat de kost op minimaal 2% van het BBP zal liggen. "De transitiekost wordt door de voorstanders geminimaliseerd, door de tegenstanders overdreven," vindt Gary Becker. Vooral voor westerse industrielanden is deze kost van enkele procenten van het BBP in het kader van de EMU onoverkomelijk.Blijft nog een meer theoretische, maar wel belangrijke vraag. Zijn kapitalisatiesystemen wel zo verschillend van omslagstelsels? In een matuur kapitalisatiestelsel moeten op een bepaald moment kapitalen worden vrijgemaakt om de pensioenen uit te betalen. Dat betekent dat activa moeten worden verkocht. En aan wie? Aan de jongeren van die generatie. Die dus net als in een omslagstelsel betalen voor de pensioenen van de ouderen.Of een kapitalisatiestelsel performanter is, wordt uiteindelijk beslist door de vraag of het tussen het moment van bijdrage en van uitbetaling een hoger BBP heeft kunnen genereren. Nogal snel wordt aangenomen dat dit zo is. Pensioenfondsen zouden via hun investeringen de economie een forse stoot in de rug geven. Maar de economische literatuur is daar niet zo eensgezind over. In een gesloten economie dreigen we inderdaad met kapitalisatie in een cirkeltje te lopen, maar in een geglobaliseerde economie met een ruime geografische spreiding van de beleggingen niet meer. Een land als Nederland profiteert daar nu al van. Amerikaanse institutionele beleggers investeerden eind 1996 56,2 miljard dollar in Nederland, en slechts 1,5 miljard in België.De oplossing: de pensioenmixVoor de EU-landen lijkt een mix van wettelijk en privé-pensioen de beste oplossing. Op die manier wordt de transitiekost fel beperkt. Bovendien worden niet alle eieren in één mand gelegd. Want geen enkel systeem garandeert absoluut dat het zal doen wat het moet doen. In landen die nu als voorbeeld gelden (Nederland of Zwitserland) is die mix ook een feit, meestal in een verhouding 60 à 70% overheid, 30 à 40% privé.Zo ontstaat het zogenaamde driepijlersysteem. De eerste pijler is het wettelijk pensioen, de tweede de al of niet verplichte collectieve privé-pijler die via het bedrijf wordt gefinancierd, de derde pijler omvat alle individuele privé-spaarvormen zoals in België het pensioensparen. En er blijft natuurlijk het gewaarborgd inkomen voor mensen die overal tussenuit gevallen zijn.Voor Koen De Rijck van Pragma Consulting, een adviseur van pensioenfondsen over de hele wereld, moet een hervorming teruggrijpen op de voorstellen die hij uitwerkte samen met CVP-senator Etienne Cooreman in 1983. Grotendeels stemmen die overeen met het model dat de Oeso en de Europese Commissie (in haar Groenboek over de aanvullende pensioenen) voor de Europese Unie heeft uitgetekend. "De eerste pijler moet een wettelijk pensioen zijn dat volledig via een omslagstelsel wordt gefinancierd," zegt De Rijck. "Dit pensioen moet gelden voor werknemers, zelfstandigen en ambtenaren. Een harmonisering dus van de drie bestaande systemen."De tweede pijler moet in kapitaaldekking. We geven daarbij de voorkeur aan het Zwitserse model waarbij deze pijler verplicht is voor alle werkenden. In Nederland bestaat die verplichting niet, maar toch wordt 91% van de bevolking door een privé-pensioen gedekt. In België heeft momenteel 31% een aanvullend bedrijfspensioen. In die tweede pijler moet er naast de bedrijfspensioenfondsen ruimte zijn voor sectorale fondsen, waarover werkgevers en vakbonden afspraken kunnen maken in collectieve arbeidsovereenkomsten. Er zijn daartoe al eerste schuchtere aanzetten, bijvoorbeeld in de cementindustrie. Voor kmo's moeten er multi-ondernemingsfondsen worden ontwikkeld.Koen De Rijck verheelt niet dat onmiddellijke grote besparingen niet mogelijk zijn. "De bijdrage aan de eerste en tweede pijler samen zal hoger zijn dan nu, maar er is spaargeld genoeg," argumenteert hij.Het VBOis nogal argwanend tegenover zulk een hervorming. "Het driepijlersysteem is een magnifieke architectuur, maar we vrezen een lange overgangsfase die tot een kostenverzwaring zal leiden," zegt Leo Fransman van het VBO. "Voor arbeiders is het niveau van het wettelijk pensioen doorgaans vrij bevredigend. Wanneer men een basispensioen annex tweede pijler gaat organiseren voor arbeiders en bedienden zal dit voor de industrie een meerlast betekenen." Het VBO is eerder voorstander van het verstrengen van de voorwaarden. Fransman: "Bijvoorbeeld het terugschroeven van de gelijkgestelde periodes, de voordelen die worden toegekend zonder dat er bijdragen voor zijn betaald. Om zo het verzekeringskarakter in ere te herstellen. Voor de afgeleide rechten (pensioenen die overgaan op weduwen en wezen) moeten we naar een afzonderlijke financiering. Steeds meer vrouwen werken immers en hebben dus individuele rechten."In politieke kringenis de VLD de grote pleitbezorger van een driepijlersysteem. In 1994 stelde het zijn privatiseringsplannen voor: een laag basispensioen, een verplichte aanvullende privé-pensioenbonus, een vrij privé-systeem en een gewaarborgd inkomen als vangnet. Maar eigenlijk is ook de CVP daar voorstander van. Lees er maar "Sleutels voor de toekomst" van Dehaene op na. En socialezekerheidsspecialiste Bea Cantillon verklaarde eerder al dat ze er niets op tegen heeft dat we evolueren naar een basispensioen. Wat trouwens door het systeem van plafonds in de pensioenuitkeringen en het ontbreken daarvan aan bijdragekant volop aan het gebeuren is. Het niveau van dat basispensioen verschilt wel ettelijke duizenden franken tussen CVP en VLD, maar toch moeten beide visies verzoenbaar zijn. Een CVP-VLD-coalitie komt er (eventueel) echter pas in 1999 na de verkiezingen. Tot dan zit de zaak geblokkeerd omdat SP en PS van geen radicale pensioenhervorming willen weten. En zolang de "verdedigers van uw pensioen" de realiteit niet onder ogen durven te zien, verschrompelt het wettelijk pensioen meer en meer. En straks is het te laat, want net omdat pensioencontracten langlopende contracten zijn, moeten de problemen van 2030 niet morgen maar vandaag worden opgelost. En eigenlijk was het gisteren.GUIDO MUELENAER